Idee 333.                                       


Ik heb hooren beweren dat de kans 'n groot man te vinden, tot de kans om 'n verzameling van groote mannen byeentebrengen, staat als 't getal leden dier verzameling tot één. [1]

Dit is niet waar. Ik geloof dat de zaak anders moet worden voorgesteld en wel aldus:

Aangenomen dat de Aloë ééns bloeit in honderd jaar, hoelang moet men, by 'n zeer beperkten voorraad van die plant, wachten, voor men 'n zeventigtal bloeiende Aloës byeenziet? [2]

Nota voor den oplosser. De hier bedoelde praat-aloes hebben de eigenaardigheid dat de bloesems afvallen en te-niet gaan, als ze in minoriteits-verhouding worden gebracht tot niet-bloeiende planten: drie bloemdragende plus vier dorre = zeven dorre.

't Omgekeerde zou ook waar zyn, maar komt zoo zelden voor, dat het niet hoeft in rekening gebracht te worden. (9)


[1] "Ik heb hooren beweren dat de kans 'n groot man te vinden, tot de kans om 'n verzameling van groote mannen byeentebrengen, staat als 't getal leden dier verzameling tot één."

Ik kan het niet geloven, was 't alleen omdat als dit waar is lijkt te volgen dat hoe meer grote mannen er zijn hoe kleiner de kans is er een te vinden - wat absurd is.

Wat M. kennelijk bedoelde maar niet schreef is: De kans om een groot man in een verzameling mensen te treffen is omgekeerd evenredig met de grootte van de verzameling. Ook dit kan niet geheel waar zijn, maar alle menselijke grootheid is individueel en voegt zich erg moeilijk in groepen en tussen doorsnee.


[2] "'t Omgekeerde zou ook waar zyn, maar komt zoo zelden voor, dat het niet hoeft in rekening gebracht te worden. "

Nu, aangenomen dat het vinden van één bloeiende Aloë waarschijnlijkheidstheoretisch onafhankelijk is van het vinden van een andere, dan is de kans in een gegeven jaar in de orde (1/100)^70, wat inderdaad een héél klein getal is.

Idee 333.