Idee 319.                                       


Daar zyn altyd meer schapen dan wolven geweest. [1] De reden is eenvoudig. Elke wolf heeft veel schapen noodig om fatsoenlyk te kunnen bestaan. Daarom ook waren er altyd meer gemeenen dan ridders in Europa, en van zoo'n ridder wil ik 'n geschiedenis vertellen. Hy had 'n lang zwaard, en daarop beet hy als-i honger had, zooals nu de schryvers van beroep, op hun pennen. Zóó zat hy bytend en hongerend aan den kant van den weg, en klaagde over de verbastering der zeden. Toch waren ze nog zoo héél slecht niet, die zeden, want zie, daar naderde een oud man die 'n pakje droeg.

- Wat draag je daar?

- Pruimen, krenten en smeerkaarsen, edele heer!

De ridder sloeg den ouden man dood, behandelde de krenten gelyk met de pruimen, en woog de smeerkaarsen, omdat-i van 'n lid der Tweede-Kamer gehoord had dat dit overeenkwam met de ‘eerste’ beginselen der staathuishoudkunde.

Daarop beet-i weer op z'n zwaard, en keek weer uit, en klaagde weer over de zeden. Maar ten-onrechte. Want daar naderden pruimen, krenten en smeerkaarsen. Ook waren er menschen by, die de ridder ditmaal niet allemaal doodsloeg. Hy berekende namelyk dat het beter was ze te dwingen tot dienst. Dit had-i geleerd uit de eerste Geschiedenis van gezag, in de Minnebrieven ‘die niet mooi zyn’ naar ik tot m'n genoegen verneem.

Hy sloeg die menschen niet meer dan juist noodig was om ze te doordringen van 't gevoel hunner verplichting tot dankbaarheid dat hy ze niet heelemaal doodsloeg, en dwong hen hem te helpen aan 't bouwen van 'n huis met dikke muren en hooge torens.

Toen 't klaar was, ging-i op den stoep zitten, en beet, en keek uit, en klaagde als te-voren.

Maar ditmaal klaagde hy met wat grond. De lieden die pruimen, krenten en smeerkaarsen verkochten, zagen z'n huis van verre, en kozen 'n anderen weg. Wel waren ze volkomen overtuigd van 't goed recht des ridders hen te dwingen tot dienst, en hun de goederen aftenemen die ze voornemens waren ter-markt te brengen hier of daar, doch ze wilden liever niets te-doen hebben met dat recht.

Ze hadden 'n omweg gevonden, waar hun slechts de helft van hun waar werd afgenomen door 'n anderen ridder, die hen overigens ongedeerd liet doorgaan, ten-eerste omdat-i volk genoeg had, en ten-andere wyl-i begreep dat iemand die eens was doodgeslagen, niet terug zou komen om op-nieuw pruimen, krenten en smeerkaarsen te brengen. En - ziehier een der ‘eerste’ staathuishoudkundige beginselen van dien anderen ridder - ‘men moest den handel niet belemmeren.

't Scheen dat nu de eerste ridder, die altyd door had zitten byten, uitzien, en klagen over verbastering van zeden, eensklaps op zyn beurt 'n ‘eerste’ beginsel zoog uit z'n zwaard.

Althans hy gelastte een zyner aanhangers den weg op te gaan, tot waar de kooplui het zypad kozen, hen vriendelyk toetespreken en te verzekeren van 'n civiele bediening. Men zou hun 't leven laten, en 'n krent meer dan die ander. Ook zouden de smeerkaarsen gewogen worden, dat van groot belang is in de staathuishoudkunde. Voorts liet de ridder beloven dat-i de pruimen gelyk met de krenten zou behandelen, om volgens 't een of ander ‘eerst’ beginsel ‘den handel niet te belemmeren.’

Het ‘tarief’ van den ridder was inderdaad voorbeeldig. Hy kon de menschen doodslaan, en hy sloeg ze maar. Hy had de macht om de smeerkaarsen te taxeeren en hy woog ze. 't Stond aan hem, de krenten en pruimen afzonderlyk te behandelen, en hy behandelde ze tegelyk.

De man is dood. Z'n zwaard is verroest. Z'n huis is ingevallen. Maar de geest des edelen ridders waart rond op 't binnenhof in den Haag, in de gedaante van 'n oud vrouwtje met 'n gewogen smeerkaars in de eene hand, en in de andere wat pruimen en krenten... die ze gelyk behandelt.

Om de lenden draagt ze 'n heel versleten jurkje van ‘eerste beginselen.’


[1] Dit is waar om de reden die M. geeft. Hetzelfde geldt leiders en volgelingen. En er volgt nu weer een fraaie Multatuliaanse parabel.

Idee 319.