idee 238

 

Idee 238.                                       


't Werd al kouder en guurder. De vrouw van den kaptein was vertrokken. De matrozen waren, op 'n enkel man na, te-kooi gegaan. De vreemde was niet tevreden over zichzelf. Had hy niet dien ouden man in de meening mnoeten laten dat-i geloofde in z'n Vierge?

Was er niet wreedheid geweest in die ontydige niet-wetende wysheid? Had hy niet zich 'n kwartiertje kunnen houden alsof hy bad, al had-i dan maar het liedje van Béranger opgezegd in dien tyd, het liedjen over den Dieu des bonnes gens? Ja, al had-i maar geteld van één tot duizend! [1]

Foei, foei, foei, hy kreeg afkeer van z'n wysheid, en voelde knaging. En als hy daar op het voorschip, waar 't zoo sterk naar knoflook luchtte, de donkere gestalte van den biddenden monnik zag, voelde hy 'n indruk als de luiaard die 't moet aanzien dat 'n ander zyn werk verricht. 't Scheelde weinig of-i had den man aangestooten, en gezegd:

- Il suffit, mon père, arrêtez! Je prierai le reste!

Hy was bitter bedroefd, en verweet zich dat-i kwaad had gedaan. By 't naderen van het achterdek, werd hy aangesproken door M'sieur Colineau die wat konfuzie over de dartelheid van z'n vrouw trachtte te bedekken met 'n overdreven dankbetuiging voor de kersen. De vreemdeling sprak nu ook het vrouwtjen aan, en zonder te doelen op haar plaisanterie over den mageren Engelschman, wist hy door z'n toon haar te doen voelen dat-i volstrekt niet boos was.

't Is waar, ze zag er aardig uit, en dit doet er veel toe in zoo'n geval. Ik twyfel aan de inschikkelykheid van den vreemde, als hy was uitgemaakt voor 'n bezemsteel die kermis houdt door 'n dragonder-officier. O, 't is niet altyd schade 'n mooi jong vrouwtje te wezen! [2]

Toen Madame Colineau hersteld was van den schrik over de ontdekking dat de Engelschman fransch verstond, hernam ze terstond haar gewone vroolykheid, en weldra voelde zich de vreemde gemeenzaam genoeg om haar te zeggen:

- En vérité, madame, j'admire votre caractère...

In Frankryk verwart men in de dagelyksche spreektaal caractère, tempérament, bonne of mauvaise humeur. Over 't geheel spreekt en schryft men in dat land byna zoo slordig als... in sommige andere landen.

...j'admire votre caractère! Me permettriez-vous de vous poser une question, un peu... indiscrète peut-être?

- Mille, monsieur, mille! Ecoute, Colineau, mon pauvre ami, m'sieur va me poser une question. Ah, je savais bien que nous nous amuserions en voyage!

- Madame, si j'osais vous demander la cause de votre gaieté?

- De ma gaieté? Ha, ha, ha, certainement que je suis gaie! Je le suis toujours, nest-ce pas, mon pauvre Colineau? Mais aujourd'hui... tenez, monsieur, avez-vous remarqué noire dîner?

De vreemde aarzelde. Zoo-even had hy den monnik verdriet gedaan door de betuiging dat-i niet geloofde in de Heilige Maagd, zou hy nu dat lieve vrouwtje bedroeven door de erkenning dat-i had achtgeslagen op de soberheid van haar maal?

- Madame, j'ai cru... j'ai vu... je me, suis aperçu...

- Ha... ha ... ha!

En weer lachte ze schaterend. Maar op-eens zeer ernstig:

- Pardon, monsieur, je ris parceque... mais en vérité, je vous en fais mes excuses. Je comprends que c'est par bonté que vous faites semblant de ne pas avoir remarqué...

En met onbeschryfelyke goedhartigheid reikte zy den vreemde de hand. [3]

...mais cela n'y fait rien. Vous avez vu nos haricots, et notre fourchette, un peu... solitaire, car c'est bien là la seule que nous ayons: nous sommes pauvres! Eh bien, monsieur, c'est parceque nous sommes si pauvres que je m'amuse tant!

De vreemde drong zich op, die zonderlinge verklaring niet goed verstaan te hebben, maar meende hiervan geen blyk te mogen geven. Het gesprek nam 'n andere wending.

- N'est-ce pas tout près d'ici que ce pauvre Dantès a été prisonnier? vroeg de dame.

- Dantès?

- Mais oui, Dantès. Montechristo, si voos voulez.

Ze meende dat die Montechristo 'n persoon was uit de Geschiedenis. De vreemde moest haar die meening ontnemen *) maar ze gaf 't heel ongaarne op. [4]

- Mais le chateau d'If, monsieur, et l'ile Marguérite?

- Le chateau d'If et file Marguérite sont en pleine mer, madame. Tous les verrez demain, nous passerons tout près de là.

- Comment, la pleine mer? N'est-ce pas mer ici?

Helaas, weer 'n illuzie weg! [5]

- Non madame, c'est ici la Joliette, un petit port. Je crains bien que demain soir, vous ne vous portiez pas aussi bien. Le mal de mer...

- Oh, cela ne me fait rien!

- Je croyais avoir compris, madame, que vous passeriez la mer pour la première fois?

- Si, si, c'est vrai! Mais tenez, monsieur...

En ze haalde een klein fleschje te-voorschyn, dat 'n tinktuurtje scheen te bevatten.

- Avec ceci, monsieur, je ne crains pas le mal, de mer.

De vreemde zei dat-i veel gereisd had, en nog nooit eenig middel had zien baten tegen zeeziekte. Maar de jonge vrouw liet zich niet ontmoedigen.

- Mais c'est mon bon Colineau lui-même qui me l'a inventé, monsieur... car il est médicin, mon mari. Oh ce n'est pas lui qui me laissera souffrir du mal de mer! Il m'aime tant!

Wat 'n gek idee, te meenen dat liefde iemand zou voorzeggen wat er te doen is tegen misselykheid! Het doet me denken aan 't kind dat z'n moeder zóó wilde liefhebben dat-i haar 'n ster kon geven. Men moet vrouw, kind of apostel wezen om te gelooven dat liefde alle dingen overwint. [6]

M'n Française ging voort, en zeide tot haar man:

- Explique donc un peu à Monsieur comment tu as inventé cette... chose.

De man gaf daarop den vreemde een uitlegging - verbazend geleerd - van de wyze waarop zyn tinktuur alle mogelyke zeeziekte radikaal onmogelyk maakte. De slingering van 't schip, de zenuwen, de maagspieren, wormvormige beweging, samentrekken, uitzetten, derivatief, reaktie, de ruggegraat, de zenuwvlecht, de kleine hersenen... het was den vreemde te geleerd. Te beleefd om den dokter tegentespreken, zeide hy maar dat-i 't beste-hoopte van z'n middel.

Een oogenblik daarna kwam 't gesprek weer op de vroolykheid van 't jonge vrouwtje. 't Was onmogelyk daarop niet te letten, en de vreemde betuigde op-nieuw z'n verwondering daarover.

- Madame, je vous admire. En vérité, c'est extraordinaire, et si j'osais...

- M'en demander l'explication? Volontiers, nest-ce pas, mon bon Colineau? Raconte un peu à Monsieur...

De man verhaalde daarop z'n vry eenvoudige geschiedenis. In 1848 was hy student in de medicynen te Parys, en had zich by de barrikades geïmprovizeerd tot chirurgyn-majoor. Toen alles weer was teruggekeerd tot de orde - zooals dat wordt genoemd door wie baas blyft - had-i z'n studien voleindigd, en vervolgens zich als geneesheer neergezet te Toulouse. Het weinigje vermogen dat z'n vrouw hem aanbracht, was in allerlei gekke spekulatien verloren gegaan. Of 't lag aan hemzelf, aan te weinig bekwaamheid - hy erkende gulweg de mogelykheid daarvan... [7]

*) Ik heb later vernomen dat er inderdaad 'n stukje werkelykheid ten-grondslag ligt aan den bekenden roman van Dumas.


[1] Ik ben het hier niet mee eens. Juist een priester verdient het antwoord van een atheïst dat hij atheïst is, en juist van een priester behoort een atheïst niet te vrezen deze te kwetsen indien deze verneemt met een ongelovige te spreken.


[2] De passage " 't Is waar, ze zag er aardig uit, en dit doet er veel toe in zoo'n geval. Ik twyfel aan de inschikkelykheid van den vreemde, als hy was uitgemaakt voor 'n bezemsteel die kermis houdt door 'n dragonder-officier. O, 't is niet altyd schade 'n mooi jong vrouwtje te wezen! " is een goed voorbeeld van M.'s eerlijkheid - en eveneens sprekend als man weet ook ik dat "dit doet er veel toe in zoo'n geval".


[3] Maar - ook in verband met de vorige opmerking - dan moet hier ook vermeld worden dat M. gedurende deze ongetwijfeld autobiografische vertelling (al hoeft lang niet alles daarom geheel waar te te zijn) dat M. in deze tijd een knappe tamelijk jonge en zeer charmante man was.


[4] Het is aardig dat de toekomstige schrijver M. hier oploopt tegen illusies opgeroepen door een schrijver, en aardig dat de schrijver M. hier aantekent indertijd zelf in enige mate van illusie over de status van deze illusie te zijn geweest.


[5] Het is niet waar dat " Men moet vrouw, kind of apostel wezen om te gelooven dat liefde alle dingen overwint. ": Alles wat hiervoor nodig is, is werkelijk verliefd te zijn.


[6] 1848 is overigens het jaar dat Marx z'n "Communistisch Manifest" publiceerde. Marx was een tijdgenoot van Multatuli, want Marx leefde van 1818-1885 en Multatuli van 1820-1887. Multatuli was niet onder de indruk van Marx, maar las weinig of niets van hem, overigens o.a. omdat hij vond dat Marx een taalmisbruiker was - M. klaagde dat hij zelfs de zin van het woordje "Het" in de titel van Marx' hoofdwerk "Het Kapitaal" niet begreep, en had weinig sympathie met socialistische ideeën, die hij dwaas en utopisch vond. Of Marx van Multatuli heeft geweten weet ik niet. Marx had wel Hollandse familie en is wel eens in Holland geweest.


[7] De passage "Het weinigje vermogen dat z'n vrouw hem aanbracht, was in allerlei gekke spekulatien verloren gegaan. Of 't lag aan hemzelf, aan te weinig bekwaamheid - hy erkende gulweg de mogelykheid daarvan..." loopt vooruit op een aforistisch idee van M., en verdient de kanttekening dat het hier geschetste ook voor M. gold op dat moment.

Idee 238.