idee 236

 

Idee 236.                                       


De jonge dame viel op haar koffer en op 'n zak met beddegoed of wat er naar leek. Ze scheen zich niet bezeerd te hebben, althans ze lachte maar al voort. Ook nam ze geen hulp aan van den vreemde die met z'n linkerarm weer aan de puttingyzers hing om te helpen als 't noodig wezen zou. Dit was weer 'n uitvloeisel van z'n geloof naar 't scheen.

- Non, non, merci! Dieu, comme c'est drôle! Et moi qui me croyais si solide! Un, deux... trois!

Ze was op 't dek van de Sainte-Vierge gewipt, en riep haar man, altyd lachend als 'n kind dat onstuimig vroolyk is.

- Bonjour, monsieur... l'Anglais! zei ze daarop tot den vreemde. Il paraît que nous voyagerons ensemble. Dieu, comme c'est drôle de voyager! Voici donc enfin la vraie mer?

Haar vraie mer was iets als 't westerdok te Amsterdam.

De vreemde dien zy 'n Engelschman noemde - omdat hy'n geruiten broek droeg, waarschynlyk - moest juist wat uitwyken voor de bagage die op dek gehand werd. Voor hy iets antwoordde, hoorde hy hoe 't jonge vrouwtje half binnensmonds en wat teleurgeteld zeide:

- Ah, il ne comprend pas. Est-il possible de ne pas comprendre le francais! Sont-ils stupides, ces Anglais avec leur langue à part! [1]

Onze vermeende Engelschman liet de dame in den waan dat hy haar niet verstaan had. Hy vond het pikant naar de uitbundige ontboezeming van haar vroolykheid te luisteren, zonder dat zy wist begrepen te worden.

- Viens, Colineau, mon ami... viens, nous dînerons. C'est un Anglais, cet homme-là. N'est-ce pas qu'il a un peu l'air de croque-mitaine? Il est maigre comme du pain bénit!

De arme Engelschman die zoo goed fransch verstond! Dat heeft men er van, onkunde voortewenden.

Toen had hy er schik in, 't levendige vrouwtjen in haar dwaling te laten. Het ergste had ze immers al gezegd: croque-mitaine, en: mager als 'n mis-ouwel! 't Is om er mager van te worden, als men 't niet al was. [2]

- Viens, mon petit Colineau, nous dînerons, mon pauvre ami... et comme des princes, te dis-je! Comme c'est drôle de voyager comme cela!

Ze zag rond naar 'n plekje waar ze dineeren wilde. De vreemdeling bemerkte nu dat ze onder de zeer smaakvolle mantilje iets droeg dat volstrekt niet paste by haar elegant toilet. Het was 'n blikken soldaten-menageketeltje.

Het echtpaar ging naar 't achterdek, en nam daar plaats op 'n lattenbank.

Maar den opmerkzamen vreemde was 't niet ontgaan hoe de second van 't vaartuig 'n paar matrozen gelastte de weinige bagage der laatstaangekomen passagiers te brengen vooruit, dat is naar de plaats die men op 'n spoortrein derde klasse noemen zou.

Derde klasse... zoo'n elegant vrouwtje! En die vroolykheid? Dàt moest hy doorgronden! [3]

Hy volgde de bagage tot ze neergezet werd vóór den watervoorraad, in de buurt van den armen monnik die nog altyd zat te bidden op z'n zak met knoflook.

Onze onderzoeker bemerkte nu dat de bagage van Mr. en Mad. Colineau bestond uit twee - ja, koffers waren 't niet! - twee kisten waarop de naam was geschreven, maar ook niet meer dan de naam.

Nu, dat de man Colineau heette, wist hy reeds, maar dit gaf weinig licht. Men kan Colineau heeten en 'n politieke vluchteling wezen, of 'n broodbakker, of iets anders. [4] Zoo'n naam helpt niet veel. En wat-i had aangezien voor beddegoed, was wel beschouwd 'n pak onschoon linnen dat hier-en-daar heenkeek door de gaten van 'n beddetyk hulsel.

Teleurgesteld - want begrypen en weten scheen hem 'n genot te wezen [5] - keerde hy terug naar 't achterdek, na eerst 'n matroos die aan-wal ging te hebben opgedragen hem wat kersen meetebrengen. Ik ben zeker dat men wat noordelyker nog geen kersen had op dien dag, want het was nog altyd vry guur, schoon de Meimaand ten-eind begon te loopen.

Toen hy z'n kersen had ontvangen, nam hy plaats op de lattenbank naast z'n dineerende reisgenooten, of liever achter een hunner, want zy wendden 't gelaat naar 't menageketeltje dat tusschen hen stond.

Gedurende het ontwikkelen van 't middagmaal uit 'n servet, onder 't zoeken naar de eenige stalen vork, en onder 't nuttigen zelfs van de witte boonen met azyn - want daaruit bestond het diner! - had het jonge vrouwtje geen oogenblik opgehouden te schertsen en te dartelen. Ze spietste de haricots aan de vork, haalde die er af met haar witte tanden, en kon haast niet slikken van 't lachen. Daarop weer reikte zy haar man de vork toe, en spotte guitachtig met z'n begeerlykheid die hem meer boonen deed aanrygen dan zy had kunnen doen toen 't haar beurt was.

- Mon Dieu, Colineau, comme tu es glouton, mon ami! Non, celui-là m'appartient! C'est mon haricot, te dis-je!

En stoeiend griste zy 'n boon weg, die naast het keteltje was neergevallen op 't servet.

De man, die ook vroolyk scheen, maar niet zoo kinderlyk uitbundig als zy, trachtte van-tyd tot-tyd haar intetoomen door 'n wenk op den vreemde die achter haar zat.

- Lui? Comment donc! C'est un Anglais, il ne comprend pas le mot... pas le moindre mot! Est-il drôle avec son air sérieux et ses cérises! A-t-il bientôt fini, Colineau? Regarde un peu, sans te déranger. C'est un Lord... mais sans lunettes, comme a Toulouse au théatre... hélas, quand reverrai-je Toulouse! Bonjaour milorre, caoumaeng vè faoutre saounti? C'est comme qa qu'i1s parlent dans son pays. Nest-ce pas qu'il te fait l'effet d'une perche en ribote? A coup sur, il est riche... tous ces Anglais sont riches. Des bêtisés que la richesse... va, je m'en moque! Et toi, mon bon pauvre ami, toi aussi, n'est-ce pas?

Ah, tu triches encore, voilà bien le mien, ce haricot-la!

En ze stoeiden weer, en vochten byna, als kinderen om 'n witte boon. Ik kan hun vroolykheid niet beter beschryven, dan door die te vergelyken by de gekke sprongen van 'n nest jonge katten.

Of 't nu was omdat de matroos den vreemde inderdaad meer kersen had gebracht, dan deze lust had te eten... of dat hy misschien, aangestoken door de vroolykheid, lust had in scherts, en daarom 't arme vrouwtje wilde plagen met wat schrik over 't verstaan van wat ze gezegd had, of ook wellicht omdat hy wilde kennismaken met het grappig paar... genoeg, hy stond op, plaatste zich voor de dame, boog zeer beleefd, bood haar de overgebleven kersen aan, en zeide:

- Madame, me permettriez nous d'ajouter un peu de dessert à votre diner?

- Dieu, il n'est pas Anglais!

En voor ze recht bekomen was van den schrik, had ze 't bord met kersen in de hand, en onze vreemdeling verwyderde zich na 'n beleefden maar vriendelyken groet. Hy voelde dat er 'n lief gemoed huisde onder dat loszinnig uiterlyk. Want of hy 'n théologien was, zooals de monnik beweerd had... zie, dit weet ik niet. Maar wat menschkunde en wat wysbegeerte had-i opgedaan, vooral van de soort die niet beschreven staat in 'n boek. [6]

Hy had altyd stieren en koeien bekeken in de wei, en ze niet bestudeerd op 'n zóóveelste van de ware grootte... in olieverf.


[1] Wat betreft "Ah, il ne comprend pas. Est-il possible de ne pas comprendre le francais! Sont-ils stupides, ces Anglais avec leur langue à part! ": Waar Multatuli zich werkelijk aan het schrijven zette zijn er zéér veel meer dwarsverbanden en verwijzingen dan in teksten van de hand van een ander. Ik zal proberen dit bij gelegenheid te illustreren met "Woutertje Pieterse", maar het is onbegonnen werk alles wat opvalt in dat verband ook expliciet op te merken, want M.'s teksten zijn daar te rijk voor.

Hier verdient het opgemerkt te worden dat de parallel met het geloof - "Ah, il ne comprend pas. Est-il possible de ne pas comprendre les catholiques! Sont-ils stupides, ces protestants avec leur croyance à part! " - ongetwijfeld mede bedoeld was door M.


[2] M. was zelf z'n hele leven mager, en sprak bij gelegenheid "het genie heeft geen buik".


[3] Voor iemand die naar eigen zeggen laboreert aan "mes idees" is dit "zoo'n elegant vrouwtje! En die vroolykheid? Dàt moest hy doorgronden!" rijkelijk - tsja: werelds. Maar ook deze vermelding is opzet, zoals de lezer hieronder zal vinden: M. was verre van blind voor menselijke drijfveren.


[4] Wat betreft "politieke vluchteling": Die waren er ook toen, en in talrijke mate, en vooral in Frankrijk en Italië. Het lijkt niet onwaarschijnlijk dat M. zichzelf in deze tijd (en later, levend in Duitsland) voorkwam als een politieke vluchteling - want feitelijk had hij weinig of geen kans meer een enigermate normaal bestaan op te bouwen in Nederlands-Indië of Nederland, en slaagde daar ook niet meer in gedurende de rest van z'n leven.

Enigszins terzijde, maar wel relevant:

Er is zeer veel geschreven over Multatuli, en het lijkt uiteen te vallen in drie ondersoorten: Teksten van z'n bewonderaars, teksten van z'n tegenstanders, en teksten van Neerlandici. Mijn eigen ervaringen met teksten van alledrie de soorten zijn overwegend bedroevend, want het komt me voor dat geen van de drie soorten "Multatuli-kenners" veel begrip van hun onderwerp hebben, dat inderdaad moeilijk en ingewikkeld is, en om andere redenen geïnteresseerd zijn in Multatuli dan ik ben.

Over het geheel genomen lijkt mij W.F. Hermans' "De raadselachtige Multatuli" de zinnigste benadering van Multatuli, en 't zal geen toeval zijn dat Hermans geen Multatuliaan was, ook geen tegenstander van Multatuli, en zeker geen Neerlandicus.

Ik zal er hier op deze plaats een paar opmerkingen over maken, vooral omdat M. zelf in de hier behandelde Ideen z'n eigen karakter bespreekt en presenteert, zij het enigszins verhuld en ongetwijfeld enigszins verfraaid.

In de eerste plaats wat betreft Multatuli's bewonderaars:

Deze zijn er in veel soorten, maar de meerderheid werd vooral bewogen door politieke gronden. Multatuli werd bewonderd door vele socialisten en anarchisten, al was hijzelf het één noch het ander, en werd vooral bewonderd vanwege z'n kritiek op het Nederlandse koloniale beleid, zoals uitgedrukt door z'n "Max Havelaar".

Ikzelf ben ook al geen socialist of anarchist, en hoewel ik instem met grote delen van M.'s kritiek op het Nederlandse koloniale beleid geloof ik (anders dan typische Multatulianen) dat hij zich vergiste in Lebak (al is de zaak tamelijk subtiel, en al had M. ongetwijfeld in beginsel gelijk - maar met beginselen alleen valt geen ambtelijk bestuur te voeren). Ook ben ikzelf niet bijzonder geïnteresseerd in Nederlands-Indië (en weet daar weinig van), en ben zeer veel meer geinteresseerd in Multatuli's kritiek op Nederland en Nederlanders in z'n Ideen - en meen dat deze kritiek op Nederland eigenlijk nooit behoorlijk besproken is, o.a. omdat M.'s bewonderaars ofwel de Ideen niet lazen ofwel deze met onvoldoende begrip en kennis lazen.

Wat betreft Multatuli's tegenstanders:

Ook deze komen in soorten, en de meerderheid hiervan lijkt vooral bewogen door persoonlijke of religieuze tegenzin: Velen vonden (en vinden) Multatuli arrogant, betweterig, en minstens een beetje gestoord, terwijl ook z'n gedrag tegenover z'n eerste vrouw, zijn vele vrouwengeschiedenissen, en zijn voorliefde voor gokken en onvermogen met geld om te gaan veel critici hebben gevonden in Nederland.

Hier wil ik het allemaal wel (min of meer) mee eens zijn - alleen zijn dit wat mij betreft allemaal bijzaken en geen hoofdzaken. Ongetwijfeld was Multatuli arrogant, betweterig, en - vergeleken met de Droogstoppels en Wawelaars van zijn en onze tijd - minstens een beetje gestoord, terwijl hij overigens ook verre van perfect was. Maar wie zó intelligent en origineel is als Multatuli kan niet ontkomen aan hoogmoed en betweterigheid, zeker tussen Neerlanders ("doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg") - en "late hij die zonder zonde is de eerste steen werpen".

Waar het mij om gaat zijn vooral Multatuli's Nederlands, dat zoveel beter - helderder, lopender, fraaier, epigrammatischer - is dan het Nederlands van vrijwel ieder ander, ongeacht het onderwerp waar hij over schreef; Multatuli's ideeën, die zoveel meer omvattend zijn dan van anderen, en zoveel diepgravender dan van anderen, nog afgezien van hun bijzonder fraaie vorm; en Multatuli's karakter, dat zoveel moediger en opener was dan dat van zijn - veel schijnheiliger, veel laffere, veel grauwere, veel saaiere - tijdgenoten en later levende Neerlanders.

Overigens, voor goed begrip: Ik denk dat Multatuli geen keus had in z'n afwijkendheid, al had hij natuurlijk enige keuzevrijheid in wat hij er mee deed, en ik denk ook dat de doorsnee geen keus had en heeft in hun normaalheid, weer afgezien van enige keuzevrijheid in het gebruik van hun eigenschappen.

Dan wat betreft de Neerlandici die zich tegen Multatuli hebben aanbemoeid:

Ik ben geen Neerlandicus, en ik heb geen enkel belang bij het pretenderen Multatuli "wetenschappelijk verantwoord" (bovendien zoals "wetenschappelijk" begrepen wordt in Neerlandistieke kringen, waar vrijwel iedereen te dom is in wiskunde en natuurkunde om te begrijpen wat echte wetenschap is!) te bestuderen, en heb daar ook geen carrière mee te verdienen. Overigens zou ik hier veel kunnen opmerken, maar beperk me tot twee observaties, en wel een positieve en een negatieve.

De positieve is dat Neerlandici erin geslaagd zijn veel materiaal over Multatuli te vinden en publiceren dat zonder hen verdwenen zou zijn of niet gepubliceerd zou zijn. Dit materiaal is gewoonlijk interessant en leerzaam, zowel wat betreft Multatuli als wat betreft Nederland en Nederlanders.

De negatieve is dat Neerlandici er vrijwel altijd in geslaagd zijn ook Nederlands prachtigst schrijvende literator te behandelen op een uitermate saaie, pretentieuze, vervelende kwasi-geleerde manier, die veel meer verduisterd dan verhelderd heeft.

Tenslotte in het kader van deze noot over Multatuli zelf een verwijzing en een citaat.

De verwijzing is naar de eerste en tweede druk van W.F. Hermans' "De raadselachtige Multatuli", dat een veel betere biografie is dan de andere Multatuli-biografieën die ik las, en zeer veel zeer fraaie foto's en ander plaatwerk heeft. De reden om zowel naar de eerste als de tweede druk te verwijzen is deze: Hermans' tekst in de tweede druk is beter dan die in de eerste, maar de eerste heeft als bijlage een stuk uit 1860 van Herman des Amorie van der Hoeven, dat mij en Hermans (en Multatuli zelf) een heel goede inschatting van M. dunkt, door een tijdgenoot die hem en z'n omstandigheden in Nederlands-Indië goed kende, terwijl die bijlage in mijn tweede druk (waarin hij wel aangekondigd staat) kennelijk door een fout niet afgedrukt is.

Het citaat komt uit de verwijzing, namelijk van pagina 50 in de tweede druk:

"Multatuli was agressief en argeloos tegelijk, en zijn maatschappelijke nederlaag moet toegeschreven worden aan deze combinatie van eigenschappen (..)
Als kind al het jongetje dat altijd de schuld kreeg, tot hij van de weeromstuit misschien werkelijk de schuld had ... Misschien onschuldig van bedrog beschuldigd op Natal ... Voortdurend in de schulden, zijn verliezen pogend goed te maken aan de speelbank, de enige plaats waar ze, zoals hij zelf terdege wist, met wiskundig vastgestelde waarschijnlijkheid op den duur alleen maar nog groter konden worden, is hij, de mensen verachtend en honend, toch altijd heel naïef, heel aandoenlijk, blijven hopen dat ze door zijn verwijten tot inkeer zouden komen en hem helpen. Nooit hielpen ze hem voldoende. Natuurlijk niet: diep innerlijk was hij ervan overtuigd dat ze niet deugden (...) "

Dit lijkt mij overwegend terecht - of preciezer gezegd: De karakteristieken dat Multatuli "agressief en argeloos tegelijk" was; "Voortdurend in de schulden" leefde; en "de mensen verachtend en honend, toch altijd heel naïef" was; en "diep innerlijk (..) ervan overtuigd dat ze [de mensen, in grote meerderheid] niet deugden" lijkt mij veel waarachtiger dan de meer hooggestemde inschattingen van Multatuli door z'n onvoorwaardelijke bewonderaars.

Maar dit alles neemt in het geheel niet weg dat hij moreel en intellectueel een genie was; verreweg de beste en scherpste kritiek op z'n maatschappij leverde van al z'n eeuwgenoten (inclusief Marx, Proudhon, Nietzsche e.a.); beter schreef dan vrijwel iedereen in binnen- of buitenland; en filosofische en logische inzichten had die zeer veel beter waren dan van z'n tijdgenoten.

En zo iemand hoeft overigens geen wonder van perfectie te zijn om niet toch zeer veel interessanter, levendiger, karaktervoller, en de moeite van het lezen en bestuderen waard te zijn dan al z'n tijdgenoten, hoe keurig deze ook geweest mogen zijn, en hoe zeer deze ook hun best mogen hebben gedaan niet te vervallen in M.'s fouten en tekortkomingen, en hoe goed ze daar ook in slaagden (als Droogstoppel, als Wawelaar, als Rammelslag, of als die tegenwoordig terecht vergeten vermeende Neerlandse grootheden uit de 19e eeuw).

Opmerking 2006: Er is ondertussen nog een redelijke Multatuli-biografie verschenen, namelijk het proefschrift van de neerlandicus Dik van der Meulen, dat ook commercieel is uitgegeven, en een prijs heeft gewonnen. Van der Meulen's biografie - "Multatuli" geheten - is dikker en grondiger dan die van Hermans, maar voorzichtiger en daarom wat minder goed dan die van Hermans. En ook Van der Meulen's dikke boekwerk heeft veel illustraties, maar kennelijk waren de subsidies niet groot genoeg om de fotoos in de ingebonden versie die ik kocht en las te voorzien van iets anders dan een zéér grof raster.


[5] Wat betreft "want begrypen en weten scheen hem 'n genot te wezen": Dit is inderdaad één van M.'s karaktertrekken die hem werkelijk deden afwijken van z'n medemensen. En opnieuw, voor goed begrip van het onderwerp: Ongetwijfeld had M. tijdgenoten die ook "genot" onttrokken uit "begrypen en weten" en zich daarop toelegden. (Een goed voorbeeld is M.'s jeugdvriend Bleeker, die een groot bioloog werd.) Het verschil is alleen dat deze zich vrijwel allemaal beperkten tot één vak, één onderwerp, één rol, en zich overigens voornamelijk interesseerden in het sociaal aangepast zijn, niet opvallen, veilig meedoen, en zich onthouden van belangstelling in of moeite voor onderwerpen buiten hun zogeheten vak.


[6] Wat betreft: "Maar wat menschkunde en wat wysbegeerte had-i opgedaan, vooral van de soort die niet beschreven staat in 'n boek." Ook dit is waar, en bovendien iets dat M. sterk bewoog, en zelf niet helemaal adekwaat inschatte.

M. was een autodidact (en 't is jammer dat niet bekend is wat hij in z'n Indische jaren allemaal las), met een behoorlijke kennis van veel uiteenlopende onderwerpen, en een zeer snelle en soepele geest. Met die achtergrond moest het hem snel opvallen dat zeer veel zogeheten wetenschappelijke literatuur en zeer veel overige literatuur in feite aanstellerig en pretentieus broddelwerk is, dat alleen maar gemaakt en gepubliceerd wordt uit eigenbelang, en vooral uit leugens en frases bestaat.

Dit wil echter niet zeggen dat er geen boeken zijn die deze fouten overwegend vermijden, en inderdaad beoogde M. zelf dergelijke boeken te schrijven. Maar er zijn er meer van, zoals M. zelf wist, want hij ontleende tamelijk veel aan La Rochefoucauld en andere franse moralisten, al pleegde hij hier niet uitdrukkelijk over uit te wijden, en al verwerkte hij alles op eigen wijze, zoals hij het ook op eigen wijze uitdrukte en vorm gaf.

Een van de dingen die ik jammer vind is dat M. kennelijk de schrijvers die ik zelf de moeite waard vind en die hij had kunnen lezen kennelijk niet gelezen had, en zeker niet besprak. (Thucydides, Plato, Aristoteles, Lucretius, Aurelius, Shakespeare, Montaigne, La Rochefoucauld, Hobbes, Locke, Leibniz, Hume, Voltaire, Diderot, Lichtenberg, Hazlitt - bijvoorbeeld.)

Idee 236.