idee 229
 
Idee 229.                                       


Ziehier 'n vertelling over zeeziekte, die 'k terstond geven zal, anders vergeet ik ze... de vertelling meen ik. De zeeziekte vergeet ik nooit. Ik schrik nu al voor Maart 1863... als Amsterdam, de Koning, de vlaggen en ik, dat jaar beleven. [1]

Voor 'n jaar of wat wandelde een redelyk jonge man - 'n jonkman was-i niet meer - op-en-neer langs de kaai der Joliette te Marseille. La Joliette heet een der havens van die stad. Hy scheen op-reis te moeten, althans... nu ja, de beschryving doet er niet toe. Men zag 't hem aan, dat-i op-reis moest.

De lieutenant *) van 't vaartuig dat hem zou overvoeren, was komen zeggen dat de wind tégen was, en dat de kaptein waarschynlyk wachten zou met ankerlichten tot den volgenden morgen. Als dus de reiziger verkoos terugtekeeren naar z'n hotel in de rue Beauvau... [2]

- Non, non, je préfère m'embarquer tout de suite.

- Comme vous voulez, m'sieur. Mais je crains que vous ne vous ennuyiez.

Als ik Fransman was, gooide ik die derde i weg, zoowaar als ik me ditmaal veroorloof de c.h. wegtegooien uit Frans.ch.man. [3]

- Le capitaine craint que vous ne vous ennuyiez à bord.

- Du tout, du tout... j'ai mes idées!

Die second dacht zeker: net als ik! Want, het is kluchtig, ieder heeft van die dingen. Althans niemand klaagt over het tegendeel. Maar als ik nu ideen ga schryven in dit Idee, dan kom ik nooit klaar met m'n vertelling over dien Rus, of dien... Italiaan, uit... engelsche ouders geboren te Koppenhagen, geloof ik. [4]

Hy ging naar boord, bezocht z'n hut, vond daarin twee kooien die ruimer waren dan men verwachten kon op zoo'n kleine brik als de Sainte-Vierge, plaatste z'n weinige bagage in de onderste, en vermaakte zich daarna met 'n soort van inspektie van 't vaartuig. Althans hy scheen belang te stellen in allerlei dingen die anderen meestal onverschillig zyn. [5] Hoe oud de brik en waar ze gebouwd was? Hoeveel bemanning ze had? Hoe scherp ze kon zeilen by den wind? Of die kleine mousse nog 'n moeder had?

En hy scheen nogal goed t'huis aanboord. By 't eigenaardig dekloopen wist hy altyd de hoogerhand te laten aan den kaptein...

Ik geloof 't graag! Als knaap had-i eens 'n oorveeg gehad, omdat hy den kaptein in den weg stond aan stuurboord. **) [6]

- M'sieur a beaucoup voyagé?

- Si, si!

- Il paraît.

De iersche Rus was dadelyk t'huis aan boord. Daar kwam de vrouw van den kaptein, met 'n lief kindjen aan de borst...

- Comment, madame, du temp qu'il fait!

Want, ofschoon in 't laatst van Mei, 't was koud, heel koud.

En hy dekte de zoogende moeder toe, met 'n reisdeken.

Die vrouw zag gek op. De kaptein had nog even tyd gehad haar te zeggen dat die gemeenzaamheid van den vreemde iets eigenaardigs was dat men vergeven moest à quelqu'un qui vient de si loin. Ce sont peut-être les moeurs de son pays.

De son pays!

O God, hoe bitter klonk den vreemde dat woord, want hy had het verstaan, schoon 't gezegd was met gedempte stem.

De son pays! Of er zede noodig was, landsgewoonte, om iemand te doen voelen dat het koud is als-i 'n zoogende moeder ziet! [7]

De son pays! Dat deed hem zéér. Hy was niet van 'n pays. Hy handelde niet naar de gebruiken van 'n pays! Hy zou 'n zoogende moeder hebben toegedekt, al schreef z'n pays voor haar bloottestellen aan kou.

De son pays!

Neen, hy wàs niet van 'n pays! Ik heb gelogen, toen 'k zei dat hy 'n Deen was, of 'n Engelschman. Hy was geen Franschman, geen Schot, geen Spanjaard... hy was 'n mensch, en 'n goed mensch. Dat zult ge zien, als ik den tyd heb om m'n vertelling aftevertellen. [8]

Voor ik overga tot m'n tweede hoofdstuk, wil 'k wat op-en-neer loopen in m'n kamer om uittevloeken tegen allerlei zeden, gelooven, godsdiensten, reglementen en stelsels, die 't Goede begraven onder wat sleur. [9]

TWEEDE HOOFDSTUK.

Ik bemerk daar dat ik verzuimd heb: eerste hoofdstuk te schryven boven den aanvang dezer historie. Ik wist toen niet dat ze zoo lang worden zou als ik nu begin te begrypen. Want van-lieverlede wordt me weer alles helder, en ik herinner my al duidelyker hoe ze 't vertelde... als ze 't vertelde. Want dikwyls deed ze 't niet, maar aan my zei ze alles. Dat hebben velen gedaan, en daarom schryf ik zoo mooi. [10]

*) Lieutenant of second op fransche koopvaardyschepen, is wat wy eerste - of eenige - stuurman noemen. De meening van landkrabben dat de stuurman... stuurt, d.i. aan 't roer staat, is onjuist. Hy surveilleert den matroos die aan 't roer staat. Deze heet: roerganger of man-te-roer. In vroeger tyd was 't op hollandsche koopvaardyschepen de gewoonte dat de timmerman - de baas noemt men hem aan-boord - by het uitzeilen aan 't roer stond. De oorsprong van dit gebruik is my onbekend. Het komt me te zonderlinger voor, omdat die onderofficier gewoonlyk geen eigenlyk gezegd zeeman is, en ook overigens op de reis niet wordt gerekend onder de roergangers. Dit namelyk zyn matrozen, vol-matrozen, in tegenstelling van ligt-matrozen en jongens. Een fout! De schepen liggen in de Joliette niet ten-anker. Ze zyn met trossen vastgemaakt aan den wal of aan dukdalven, evenals te Amsterdam en Rotterdam. Lees alzoo voor ankerlichten, den in dit geval gebruikelyken term: losgooien.

**) Stuurboord - de rechterzy, als men naar den boeg gekeerd is - wordt voor de hoogerhand gehouden. 't Is, byv. niet iedere sloep geoorloofd 'n schip van dien kant te naderen. En ook op het dek behoort de mindere zich met bakboord te vergenoegen. De kommandeerende officier der bakboordswacht is lager in rang dan de chef van de stuurboordswacht, enz. In-zee verandert de hoogerhand naar 't invallen van den wind. De zyde beneden'swinds heet ly, en staat in zake van courtoisie lager dan de loefkant, d.i. de kant vanwaar de wind inkomt.


[1] "Ziehier 'n vertelling over zeeziekte, die 'k terstond geven zal, anders vergeet ik ze... de vertelling meen ik. De zeeziekte vergeet ik nooit. Ik schrik nu al voor Maart 1863... als Amsterdam, de Koning, de vlaggen en ik, dat jaar beleven."

Hier begint het eerste langere verhaal in de Ideen, en ook het eerste uitdrukkelijk literaire stuk. (Andere langere verhalen zijn o.a. het toneelstuk Vorstenschool, de vertelling van Woutertje Pieterse en de likdoorn-historie.) Multatuli was zelf met dit verhaal zeer ingenomen, maar ik vermoed dat de gemiddelde lezer van nu het tamelijk larmoyant zal vinden - als ie Frans leest, want indien niet dan doet ie er verstandiger aan dit en de volgende Ideen over te slaan, want ik geef evenmin vertaling als M, behalve wanneer dit uitdrukkelijk mijn eigen doelen dient. Ook is het mijn schuld niet dat vrijwel geen moderne Nederlander onder de 50 behoorlijk Frans leest.

Wat betreft "Ik schrik nu al voor Maart 1863":

Hieruit kunnen we afleiden dat M.'s Ideen tot dit geschreven zijn tussen eind Januari en Maart van het jaar 1862 - hoewel dit niet is wat ik wilde opmerken, al is het op zichzelf interessant te weten wanneer en onder welke omstandigheden M. z'n Ideen schreef.

Wat ik wilde opmerken is: Ik ken dat, uit eigen bittere ervaring. Ik heb 7 lange jaren als invalide Amsterdammer op de Elandsgracht gewoond, waar ieder jaar met 30 april Koninginnedag werd gevierd, dat daar de vorm kreeg van gewoonlijk een dag en een nacht voortdurend bezopen gebral, geschreeuw, en getier van de heffe des Volks, onder begeleiding van loeihard versterkt gesang fan Sjonnie Sjordaan, André Hazes, en ander afgoden van de debiele Amsterdamse massa's. Eenieder die genezen wil worden van iedere illusie over ut chewoone folluk, en zeker iedereen die mij aanvalt vanwege mijn gebrek aan geloof in hun voortreffelijkheid, wens ik heel hartelijk minstens dezelfde ervaringen toe.


[2] "De lieutenant *) van 't vaartuig dat hem zou overvoeren, was komen zeggen dat de wind tégen was, en dat de kaptein waarschynlyk wachten zou met ankerlichten tot den volgenden morgen. Als dus de reiziger verkoos terugtekeeren naar z'n hotel in de rue Beauvau..."

Hier is het begin van nogal veel Frans, dat Multatuli graag, en veel, en goed mocht schrijven en kon lezen en spreken. Aangezien de afgelopen 30 jaar overwegend zogeheten socialistisch bestuur in Neerland het tot dan redelijk goede onderwijs uit naam van "de democratie" volledig genivelleerd en uitgehold heeft zijn er tegenwoordig nog nauwelijks Nederlanders onder de 50 die hun vreemde talen enigermate behoorlijk lezen, om van spreken of schrijven niet te spreken.

Ik lever geen vertaling, en had het geluk tot de laatste reguliere schoollichting te behoren die vanzelfsprekend geacht werden minstens drie vreemde talen op school te leren, en dat ook deed - met gewoonlijk aanzienlijke tegenzin, geef ik toe, maar zonder veel moeite, en tot mijn grote voordeel later.


[3] "- Comme vous voulez, m'sieur. Mais je crains que vous ne vous ennuyiez.

Als ik Fransman was, gooide ik die derde i weg, zoowaar als ik me ditmaal veroorloof de c.h. wegtegooien uit Frans.ch.man. "

Een groot en fundamenteel verschil tussen Nederland en Frankrijk en als gevolg tussen het Nederlands en het Frans, is dat de Fransen trots zijn op hun taal, en deze al eeuwen laten bewaken door wie ze de geleerdsten, slimsten of best schrijvenden in hun generatie vinden, en die benoemd worden tot lid van de Academie Française, die de uitdrukkelijke taak heeft het Frans te beschermen tegen verval en verminking.

Het gevolg daar weer van is dat iedere Fransman - desgewenst - zonder enige moeite z'n klassieke Franse schrijvers van eeuwen her kan lezen, omdat het Frans ondertussen niet bijzonder gewijzigd is, en nog steeds herkenbaar en leesbaar hetzelfde is als eeuwen geleden, afgezien van moderne woorden.

In Nederland daarentegen hebben een stel Neerlandici meer dan 130 jaar gelaboreerd aan een woordenboek, dat vergeleken met Engelse of Franse woordenboeken nog steeds slecht is, terwijl de Nederlandse belastingbetaler iets van drie keer per generatie een stel Neerlandici betaalt voor telkens weer een nieuwe spellingshervorming (bovendien zonder uitzondering logisch dwaas) die het lezen van klassiek Nederlands volstrekt onmogelijk moet maken en inderdaad gemaakt heeft. Gelukkig is de enige goede reden die ik ken - voor een buitenlander, in ieder geval - om Nederlands te willen lezen dat Multatuli (overwegend) in die taal schreef, en dat er behalve "Reynaert de Vos" en de werken van Multatuli érg weinig in 't Nederlands is geschreven waar een Nederlander met recht trots op kan zijn vanwege het bijzonder goede Nederlands.

Het is dan ook niet toevallig dat de enige Nederlandse literatuur die al generaties lang in het buitenland bewonderd wordt vanwege de werkelijke kwaliteit die het heeft vertalingen van "Reynaert de Vos" en "Max Havelaar" zijn.


[4] "Want, het is kluchtig, ieder heeft van die dingen. Althans niemand klaagt over het tegendeel. Maar als ik nu ideen ga schryven in dit Idee, dan kom ik nooit klaar met m'n vertelling over dien Rus, of dien... Italiaan, uit... engelsche ouders geboren te Koppenhagen, geloof ik. "

Dat niemand klaagt over z'n eigen gebrek aan ideeën is juist, en vele keren eerder opgemerkt, o.a. door La Rochefoucauld. Het is ook waar dat het de dommen zijn die niet te klagen hebben over hun eigen domheid.

Overigens is dit een autobiografische vertelling (zoals blijkt uit de VW).


[5] "Althans hy scheen belang te stellen in allerlei dingen die anderen meestal onverschillig zyn."

Dit is inderdaad een kenmerk van waarachtige intelligentie: Grote belangstelling in veel verschillende zaken alleen omwille de vreugde van het begrip of de kennis ervan.

Overigens: Multatuli kwam uit een geslacht van zeelieden, en had daarom een tamelijk vanzelfsprekende belangstelling in en kennis over schepen en varen.


[6] "Als knaap had-i eens 'n oorveeg gehad, omdat hy den kaptein in den weg stond aan stuurboord. **)"

We moeten aannemen dat dit een vaderlijke oorveeg was. En inderdaad was M.'s vader scheepskapitein, en een man van vanzelfsprekend gezag.


[7] "Of er zede noodig was, landsgewoonte, om iemand te doen voelen dat het koud is als-i 'n zoogende moeder ziet!"

Het dunkt mij wel, wat de menselijke doorsnee betreft. Gewone mensen, indien eenmaal gearriveerd in de volwassen jaren des onderscheids, maken groot onderscheid tussen Eigen Volk en Ander Volk, en zijn zelden genegen de menselijkheid of rechten van leden die niet tot hun eigen groep behoren meer dan zeer oppervlakkig en formeel te erkennen, laat staan te handhaven.

Een voorname reden hiervoor is trouwens het grote gebrek aan zelfrespect dat de grote meerderheid van gewone mensen kenmerkt, dat opzichzelf gewoonlijk terecht is - ze stellen heel weinig voor, menselijk gesproken, en weten dat - maar ze nemen maar al te graag wraak door wie anders is dan zij als minderwaardig te behandelen en beschouwen.

Dit is ook weer wat M. parten speelde in Nederlands-Indië: Anders dan vrijwel al z'n mede-Nederlanders was hij geen racist, geen hypocriet rijkworder, geen intrigant, en geen leugenaar, en was werkelijk in staat de rechten van anderen te eerbiedigen en handhaven, ook als dat niet zijn eigen belang was.


[8] "Neen, hy wàs niet van 'n pays! .. hy was 'n mensch, en 'n goed mensch."

Multatuli zei en schreef vaak dat hij een goed mens was, en had hierin gelijk. Minder goede mensen vinden dit onbescheiden, onbetamelijk, onfatsoenlijk - maar hebben zeer veel minder om zichzelf op voor te laten staan dan M.

Ook is het zo dat M. weinig gaf om z'n Nederlanderschap en op de meeste Nederlanders neerzag (als Kappellui etc.: "Publiek, ik veracht u met grote innigheid"). Wat mij betreft - die de gehele VW gelezen heeft, dus enigermate weet met wat voor Neerlandse mede"mensen" hij gewoonlijk om moest gaan - had hij gelijk, zodat het mij enigszins verbaast dat M. zich desalniettemin tot z'n dood herhaaldelijk tamelijk vaderlandslievend uitliet, bijvoorbeeld waar het "'t Duitse gevaar" betreft (dat in zijn tijd ook reëel was, want Duitsland werd toen een grote natie en zocht toen al Lebensraum buiten de eigen grenzen). Zie verder Multatuli's "Pruisen en Nederland".


[9] "Voor ik overga tot m'n tweede hoofdstuk, wil 'k wat op-en-neer loopen in m'n kamer om uittevloeken tegen allerlei zeden, gelooven, godsdiensten, reglementen en stelsels, die 't Goede begraven onder wat sleur."

Mijzelf bekruipt dit soort neigingen regelmatig - alleen ben ik aanmerkelijk pessimistischer en aristocratischer over mijn gemiddelde medemens dan M. was tot ca. 1880, toen ook hij de moed opgaf over de verbeterbaarheid van de doorsnee, academisch geschoold of niet. Voilà - parceque le clarté c'est la politesse - doch in het kort en in het Nederlands:

Het is - helaas! - niet zo dat "'t Goede begraven [ligt] onder wat sleur". Was dit wel zo dan leefde de mensheid al vele eeuwen in een betrekkelijk Utopia. De waarheid is - nogmaals: helaas! - dat de doorsnee, althans in het tegenwoordige Europa en de V.S., heeft en krijgt wat de doorsnee verdient en wil, en niet veel beter of anders wil, en geen rationele begrippen heeft van iets anders. Het resultaat is ellendig, stompzinnig, lelijk en dom, en dagelijks op minstens 24 zenders op iedere TV te zien. De hoofdreden voor al die lelijke domheid en domme lelijkheid is - ja: helaas! - het gemiddelde aangeboren menselijke intellectuele gebrek aan talent, taalvermogen, rekenvermogen en redeneervermogen, naast een overigens eveneens aangeboren gebrek aan moed, was 't alleen om af te wijken van de doorsnee.

Wie dit anders ziet weet veel te weinig van de geschiedenis van de 20ste eeuw, en is zelf gezegend - helaas voor z'n begrip; deo gratia voor z'n levensgeluk - met een veel te matig verstand voor een behoorlijk oordeel. Daarbij: Al is dit een bittere vorm van Jezus' "Vader, vergeef hen, want zij weten niet wat ze doen!", het helpt in te zien dat de doorsnee niet veel beter kan dan ze doet, en niet zozeer uit vrije wil als uit aangeboren onvermogen.


[10] "Want van-lieverlede wordt me weer alles helder, en ik herinner my al duidelyker hoe ze 't vertelde... als ze 't vertelde. Want dikwyls deed ze 't niet, maar aan my zei ze alles. Dat hebben velen gedaan, en daarom schryf ik zoo mooi."

De "ze" uit deze passage is ongetwijfeld Fancy - de personificatie van M.'s muze, waarvan meer sprake is in z'n "Minnebrieven" en "Woutertje Pieterse". En M. meende zelf dat de voornaamste reden dat hij zo mooi schreef was dat hij vanuit z'n hart schreef, werkelijk meende wat hij zei en schreef, en een buitengewoon goed verstand had.

Ikzelf geloof dat er iets waar is van het hier door M. gestelde, maar niet veel: Hij had eenvoudig een buitengewoon taalvermogen - en dat hij dit gebruikte om zo goed mogelijk de waarheid te trachten te spreken lag niet aan dat taalvermogen maar aan andere oorzaken. Welke dat zijn is moeilijk na te gaan, maar een belangrijke daaronder is z'n hoogmoed - z'n heldere besef anders te zijn dan anderen, vooral door z'n bijzonder heldere intellect en buitengewone taalvermogen.

Overigens is mij mening hier (zoals zo vaak) geheel anders dan de moderne Neerlander graag hoort of leest, want de moderne Neerlander meent stellig te weten dat "iedereen gelijkwaardig" is en dat wie persoonlijk meent iets beter te zijn dan een willekeurige ander daarom en alleen al daardoor aantoont een slecht mens te zijn. (Tenzij - natuurlijk - het toevallig een kale tamelijk geschifte relnicht betreft, met een groot talent voor TV-quiz-master en een klein voor taal of rationeel denken: Dan "weten" plotseling ontelbaar veel miljoenen Neerlanders dat ze Holland's Heiland gezien en gehoord hebben. "'t Kan verkeren". Hoe 't zij: Wie als volwassene geen zelfrespect heeft verdient dan ook zelden enig respect - en zal makkelijk vallen voor politieke of religieuze charlatans.)

Opmerking van 2006: Ik schreef het bovenstaande in 2001, vóór de moord op Fortuyn. In het huidige Nederland meent de heffe des volks dat een mens alleen werkelijk kan deugen als ie auwtogtoon is, of kamerlid. Ik denk nog steeds hetzelfde over Fortuyn, maar kan er nu aan toe voegen dat hij toch méér niveau had dan Verdonk of Pastors.

Idee 229.