idee 198

 

Idee 198.                                         


Maar ik wil nu spreken over ònbeloonde deugd, over meisjes die niet huwen, over haar die géén genade vonden in de oogen des jonkmans. 't Zal velen toeschynen dat ik spreek over wat anders.

De Natuur is weldadig. Ze moet wèl doen - en dus weldoen - in alles wat ze doet, omdat niet-wèl doen haar doodvonnis wezen zou. De minste afwyking van haar plicht, van de wet der Noodzakelykheid, zou in vreeselyk toenemende progressie uitloopen op verwarring van 't geheel, op zelfmoord. De geringste verkrachting van den Aard der Dingen heeft - niet terstond, maar wel dadelyk en spoedig - de verwarring van alle dingen ten-gevolge.  [1] Die verwarring komt in zoover neer op vernietiging, als men zeggen kan dat iets niet bestaat, wanneer men, òf van de som zyner eigenschappen wat aftrekt, of die eigenschappen-zelf vernietigt. Wat hetzelfde is. Want de vernietiging ééner eigenschap bewerkt - weer in oneindig snel toenemende progressie - de vernietiging van alle eigenschappen, en Iets zònder eigenschappen is Niets. In 't voorbygaan wil ik hier die progressie schetsen in twee voorbeelden. (134

Wanneer men 'n streng draadgaren wil vervormen tot 'n kluw, windt men dien om 'n haspel. Als nu by 't geleidelyk afwinden de draad haakt en schynbaar verstrikt is in de nevendraden, en men meent dat beletsel uit den weg te ruimen door 't ontstrikken van den niet bestaanden knoop - als men doorsteekt - ontstaat juist dáárdoor 'n tal van werkelyke strikken of knoopen die later niet kunnen worden ontwikkeld zonder 't veroorzaken van nieuwe knoopen. Wanneer men zich dien draad oneindig denkt, vermeerdert ook het aantal knoopen tot in 't oneindige, al ware de rede der geometrische progressie slechts 2, de kleinste rede die in dit geval bestaan kan. Een oneindig-groote streng draad, met 'n oneindig getal knoopen of strikken, ware geen draad meer. Behalve de soort der grondstof, zouden alle deelen der bepaling van 't denkbeeld: draad  verloren zyn gegaan. Jazelfs die grondstof zou veranderen, wyl deze haar hoedanigheid ontleent aan de wyze waarop de deelen onderling vereenigd zyn, en die wyze van vereeniging zou veranderen door de oneindigheid der strikken en knoopen.

De Natuur nu, steekt nooit door. Liever: ze steekt niet door, niet die eerste maal waaruit hoofdzakelyk de verlokking tot het volgende doorsteken voortvloeit. [2]

Een tweede voorbeeld. Gy hebt 'n berekening te maken, 'n redeneering in cyfers. In den beginne stelt ge ergens ten-onrechte x + (of -) y in plaats van x. Die y is zóó klein dat het byvoegen of aftrekken daarvan u voorkomt geen, of geen belangryken, invloed te hebben, op de waarde van x. Maar x ondergaat bewerkingen, véél bewerkingen, en de ten-onrechte afgetrokken of bygevoegde y deelt daarin. Het afwyken van de waarheid wordt hoe langer hoe grooter. Het baat zelfs niet dat sommige bewerkingen de onjuistheid van sommige anderen teniet doen - 't gebeurt zelden dat 'n tweede dóórsteek de eerste als ongeschied maakt, en al ware dit het geval in de vergelyking, in de Natuur is 't zoo niet! - de onjuistheid van y te-veel of y te-weinig, groeit aan naarmate x méér keeren wordt behandeld.

In de Natuur is alweder 't aantal keeren der behandeling van x oneindig, dus ook oneindig de maat der onjuistheid van de fout die ik uitdrukte door y. *) [3] De werking van die Natuur is in den meest strikten zin: eenvoudig. Ze heeft namelyk maar één middel, dat tevens doel schynt: aantrekking. (172) Al wat bestaat, heeft neiging tot samenzyn, tot vereenigen, tot ineensmelten, tot éénzyn. [4]

Met die neiging wordt ook de mensch geboren. Ik ga nu al de overige verschynselen welke daaruit voortvloeien voorby, om my te bepalen by de hoofduitdrukking der algemeene wet, tot de Liefde, omdat - misschien juist wegens de algemeenheid der werking van deze wet - ze nergens zoo duidelyk kan worden waargenomen als in 't geslachtsleven. Hoe men ook - meer of min willekeurig altoos - de liefde verdeele in soorten, overal vervult die hoofdwet de voornaamste, misschien de eenige rol. En nergens ligt de noodzakelykheid van die wet zoo duidelyk voor ons oog. [5] Wel nemen wy de aantrekking in alles waar, doch niet overal, ja nergens blykt zoo duidelyk de behoefte aan die neiging. Wie ziet hoe twee stofdeelen zich vereenigen, kan nog altyd ontkennen dat die vereeniging doel of 'n aanwysbaar gevolg heeft, al erkent hy 't feit. Maar de neiging by den individu van 't dierenryk tot aanhangen, tot samenzyn, tot éénzyn, brengt het bewys van hare noodzakelykheid met zich. Ieder ziet in, hoe niet-vereenigen hier synoniem wezen zou met vernietigen.

Ik beweer **) dat die synonimiteit overal bestaat, en dat ze maar in 't geslachtsleven gemakkelyker is waartenemen. [6]
 

*) Deze uitdrukking is inkorrekt. De Natuur maakt geen fouten, en 't heeft dus geen zin zich te verdiepen in de gevolgen van misslagen die ze niet begaan kan. Dit was dan ook m'n bedoeling niet. Ik wilde doen in 't oog vallen dat elke door ons begane fout, in de nauwkeurige boekhouding van het zyn blyft doorloopen tot de uiterste fatale konsekwentie, die produkt of som is van het oneindig aantal keeren inwerkende behandeling.

**) Beter: ik gis. Misschien heeft er bevruchting plaats by elke aanraking van atomen.


[1] "De Natuur is weldadig. Ze moet wèl doen - en dus weldoen - in alles wat ze doet, omdat niet-wèl doen haar doodvonnis wezen zou. De minste afwyking van haar plicht, van de wet der Noodzakelykheid, zou in vreeselyk toenemende progressie uitloopen op verwarring van 't geheel, op zelfmoord. De geringste verkrachting van den Aard der Dingen heeft - niet terstond, maar wel dadelyk en spoedig - de verwarring van alle dingen ten-gevolge. "

Nee, hier is M.'s 19e-eeuws romantisch filosofisch materialisme weer aan het woord, dat ik vooral afwijs vanwege de romantische misvatting dat morele vraagstukken opgelost kunnen worden door enige natuurkundig lijkende frasenmakerij. En ik geloof noch in M.'s "Noodzakelijkheid" noch in M.'s "Aard der Dingen", en dat vooral omdat noch het een noch het ander goede natuur- of scheikunde is.

Hier heb ik het voordeel 130 jaar later geboren te zijn, maar me dunkt dat M. zelf had kunnen inzien - door grondig en stipt redeneren - dat veel van z'n frases over de Noodzakelijkheid het niveau der frases niet ontsteeg.


[2] "De Natuur nu, steekt nooit door. Liever: ze steekt niet door, niet die eerste maal waaruit hoofdzakelyk de verlokking tot het volgende doorsteken voortvloeit."

Multatuli hield - als ik - van wiskunde, en merkt ergens op dat hij gaarne knopen ontwarde en daar zeer goed in was. Er is een hele tak der wiskunde - en een ingewikkelde - die zich bezighoudt met de theorie der knopen.


[3] "In de Natuur is alweder 't aantal keeren der behandeling van x oneindig, dus ook oneindig de maat der onjuistheid van de fout die ik uitdrukte door y. *) "

M.'s noot hierbij begint met "Deze uitdrukking is inkorrekt" en dat is waar - maar niet om de redenen die M. geeft. De uitdrukking is inkorrekt om heel andere redenen:

Ten eerste: Wellicht is er geheel niets "oneindig" in de Natuur, en zijn onze begrippen van oneindigheid alleen een middel er greep op te krijgen (bijvoorbeeld met de differentiaal en integraal-rekening, en met het begrip getal) dat meer zegt over onze eigen onvermogens en beperktheden dan over de Natuur die we trachten te begrijpen (en zoveel groter is dan wij zijn).

Ten tweede: Een oneindige herhaling van iets behoeft niet "dus" een oneindig resultaat te bereiken. In feite is de differentiaal-rekening gebaseerd op het inzicht dat een oneindige reeks een eindige som kan hebben, en is het klassieke voorbeeld hier de reeks gevormd door 1/2+1/4+ ... +1/2^n. De redenering loopt als volgt: Neem aan dat deze oneindige reeks sommeert tot een getal, en noem dit s. We hebben dan 1/2+1/4+ ... +1/2^n = s. Beschouw nu een oneindige reeks gevormd uit deze door iedere term met 2 te vermenigvuldigen: We krijgen 1+ 1/2 + ... = 2s. Trek nu de eerste van de tweede reeks af: Het resultaat is gelijk de som van de eerste oneindige reeks, en dus gelijk het zeer eindige getal 1.

De lezer kan veilig aannemen dat M. goed was in wiskunde, maar weinig wist van differentiaal en integraal-rekening. Was het anders, dan had hij anders geschreven over oneindigheid, en ook over natuurkundige onderwerpen.


[4] "De werking van die Natuur is in den meest strikten zin: eenvoudig. Ze heeft namelyk maar één middel, dat tevens doel schynt: aantrekking. (172) Al wat bestaat, heeft neiging tot samenzyn, tot vereenigen, tot ineensmelten, tot éénzyn. "

Hier spreekt weer dat makkelijke uit frasen bestaande kwasi-natuuurbegrip. 't Minste dat hier opgemerkt dient te worden is dat er niet alleen aantrekking maar ook afstoting is - zoals iedereen weet die wel eens met magneten gespeeld heeft, en dat overigens het getal der fundamentele natuurkrachten weliswaar kennelijk eindig en niet groot is, maar niet gelijk 1. (Voor meer, zie een moderne inleiding natuurkunde.)


[5] "Met die neiging wordt ook de mensch geboren. Ik ga nu al de overige verschynselen welke daaruit voortvloeien voorby, om my te bepalen by de hoofduitdrukking der algemeene wet, tot de Liefde, omdat - misschien juist wegens de algemeenheid der werking van deze wet - ze nergens zoo duidelyk kan worden waargenomen als in 't geslachtsleven. Hoe men ook - meer of min willekeurig altoos - de liefde verdeele in soorten, overal vervult die hoofdwet de voornaamste, misschien de eenige rol. En nergens ligt de noodzakelykheid van die wet zoo duidelyk voor ons oog. "

Dit is ook weer onzin, om nogal wat redenen. Eén daarvan is dat liefde zeer veel minder met de natuurkundige wet der aantrekking te maken heeft dan met menselijke verbeeldingskracht. Het is jammer dat M. in z'n bespiegelingen over de natuur vaak niet wist te ontstijgen aan het niveau van de populaire natuurkunde van z'n tijd, of eerder nog: van de 18e eeuw. (Overigens is dit een tekortkoming waar talloos veel filosofen aan leden, die aan alles twijfelden, maar het minst aan de meest moderne schoolse opvattingen uit hun eigen tijd, al moest het ieder van hen volstrekt duidelijk zijn dat later tijden deze zouden weerleggen, corrigeren, aanvullen en van betekenis en inhoud veranderen.)

Hoe 't zij, M.s vereenzelviging van "liefde" en "aantrekkingskracht" is een nogal botte redeneerfout.


[6] "Ik beweer **) dat die synonimiteit overal bestaat, en dat ze maar in 't geslachtsleven gemakkelyker is waartenemen. "

Ik beweer - daarentegen - dat dit niet de juiste manier is om te redeneren over liefde tussen mensen, en ook niet de juiste manier om ingewikkelde kwesties te verhelderen. De menselijke hersens zijn, per volume-eenheid, het ingewikkelst weefwerk dat moeder Natuur kent, en ter beschikking heeft zichzelf te begrijpen, en het reduceren van dat weefwerk tot een enkele kracht die ook al van toepassing is op iedere twee atomen in dit weefwerk behoort tot de frasenmakerij der "terribles simplificateurs".

Idee 198.