Idee 179.                                       


"Als 't waar is dat die goddienery nadeelig werkt....

- Ja, zegt men, maar dat is sporadisch. 't Komt niet dikwyls voor. Hy, zy, en ik hebben nooit gestuipt op de keldertrap. We gelooven... nu ja, maar we laten ons niet dol maken. We doen behoorlyk onze zaken. We geloven... z, z... met gepasten matigheid.

Die wezens staan me nader dan gy!  [1]

Wie nonsens gelooft... ja, maar niet meer dan juist noodig is in 't belang van uw "zaken"... gy die zondags 'n hemelvaart belofzingt, maar 'n knecht zoudt wegjagen als hy in de week u kwam vertellen dat uw grootboek was opgevlogen... gy die in uw krankzinnigheid weet afteknippen op de maat die ge groot genoeg vindt voor den Hemel, en niet te groot voor den aarde... gy die zoo verstandig zyt als die verstandigste waar 't uw dadelyk belang geldt, maar meent den Heere te dienen door dat verstand te leggen aan 'n halsbandje van spinnewebbe of yzer, naar 't u voegt, zoodra er spraak is van - veronderstellen - edeler belang... gy die preekt, bidt en oefent, maar onder 't bidden en oefenen, gedurig 'n oog in 't zeil houdt van 't aardsche scheepje... gy die 't beste deel van uw ziel bewaart voor beurs, school, societeit of kabinet, en zondags lappendag houdt om uw "Heer" te onthalen op wat afval...gy... 

Wat moet ik U zeggen? Dit: ga naar de Elberfeldsche weezen, kryg stuipen en wordt oprecht.


[1] : De reden dat "Die wezens staan me nader dan gy!" is dat ze, met al hun godsdienstwaanzin, tenminste eerlijk en oprecht zijn. Zie verder de Elberfeldsche weezen.

Idee 179.