't Was avend. Een vrouwspersoon hield me aan. Kunt ge niet beter doen dan u verkopen? zei ik, en stootte haar weg. Den volgenden avend *) stond ze weer voor my en wierp me myn Ideeën in 't gezicht. Dat deed me pyn.

Toen ik 'r weerzag, heb ik haar enig geld gegeven, en de hand. **)
[1]

*) Met den besten wil kan ik in 't woord avend geen o plaatsen. De gewone uitspraak: avend is - op de d na - geheel in overeenstemming met beteekenis en etymologie. Noch in venire noch in abend komt 'n o voor. Ook in aventuur komt die letter niet te pas.

Het gebruiken van de d als slotletter is 'n onwaarheid. De Friezen zeggen - op z'n Engels - avend, brood, bed, enz. en zy hebben dus het recht die d te schryven. Doch byna overal elders sluiten wy zulke woorden met 'n t: ''het broo-t-is gaar''. Toch laat ik die ongelukkige d staan, omdat ik anders te véél woorden te veranderen heb, waardoor ik weer vervallen zou in de ongewoonheid die ik, om redenen van hooger belang dan letterziftery, vermyden wil.

**) Met verwyzing naar 79 en 134, en als bydrage tot de gegrondheid myner verachting voor Publiek, deel ik hier mede dat dit Idee is aangevoerd, als blyk van onzedelykheid. Gelyk lot viel te beurt aan eenige regels uit het zevende hoofdstuk van den Havelaar. In de Arnhemsche Courant van 12 December 1870 wordt den Volke, gedeeltelijk met m'n eigen woorden (447!) meegedeeld dat ik: ''het schone en goede najaag tot in den donkeren avond, waarin meisjes over straat gaan om een weinig eer voor een weinig voedsel te verkopen.'' Even tevoren had de schryver - de achtenswaardige man noemt zich Q. - verzekerd dat ik m'n ''tijd doorbreng in het koffihuis met geborgde sigaren, bittertjes, partijen biljart, enz. enz.'' Uit welk gedeelte myner werken dit bericht ontleend werd, bleek me niet. Zoo ver my bewust is, heeft niemand dien zo goed geînformeerden schryver op z'n plaats gezet. Integendeel. In het onmiddellyk daarop volgend nummer van den Arnhemmer, noemt Dr. Van Vloten - wat al te liberaal, vind ik - het artikel van Q: een ''practisch stuk''.

Daar nu die Q. en z'n vrinden niet in staat schynen uit m'n werken te besluiten tot de wyze waarop ik van m'n kindsheid af gewoon ben myn tyd doortebrengen, voel ik me genoopt tot eenigen twyfel of ze wel zeer huishoudelyk hebben omgegaan met hùn tyd? Eenige oefening in lezen schynt nog altyd niet aan de beurt gekomen te zyn.


[1] Dit moet een apocrief verhaal zijn, omdat IDEE 62 tot de allereerste IDEEN behoorden. Zie overigens vooral Noot 2 voor wat M. te vrezen had van z'n tegenstanders, en Noot 1 voor meer over spelling.

Idee 62.                                                  
Idee 62.