4
 

     Nederlog        

 

29 februari 2008


 

Een Modest Proposal à la Rousseau

 

 

Ik heb - eindelijk - Rousseau's Confessions geheel uitgelezen, en zei "eindelijk" omdat ik er, ergens in de tachtiger jaren, in was blijven steken in het begin van volume 2.

Voor wie het niet weet of begrijpt: Ik heb het over de Franse schrijver en filosoof Jean Jacques Rousseau, die leefde van 1712 tot 1778, en veel invloed had op velen die na hem leefden, want zijn geschriften vormen een voorname inspiratie voor de Franse Revolutie van 1789, voor de Romantiek die ontstond rond 1800, voor het socialisme (een woord uitgevonden in 1827), en voor democratische ideeën én voor totalitaire noties, en hij was een inspirator voor nogal wat na hem komende denkers, waaronder Kant, Mill, Marx, Multatuli, en vele anderen, en ik heb het over zijn laatste, na zijn dood uitgegeven werk, dat ik las in de Engelse vertaling in "Everyman's Library" (*), die ik kocht in 1983, toen ik ook bleef steken met lezen in het begin van het tweede deel.

Een kort en tamelijk rechtvaardig oordeel over Rousseau is dat hij zo gek als een biet was, maar dat hij heel goed kon schrijven, geheel niet dom was, en een heel avontuurlijk leven leidde.

Het is overigens érg moeilijk wijs uit hem te worden, als persoon en als filosoof, vooral omdat àlles altijd welbewust op emotioneel effect geschreven is; hij constant dezelfde stijlfiguur bezigt: de hyperbool; en zichzelf veelvuldig en vaak tegenspreekt, over vrijwel alles, behalve zijn eigen excellentie en goedertierenheid, die altijd boven alle twijfel en inconsistentie verheven zijn.

Zijn stijl is fraai en lopend, maar was kennelijk maakwerk, want hij schreef dingen vijf keer of meer over, zelfs brieven, voordat hij ze verzond, en besteedde dus veel aandacht aan de vorm, die bij hem - anders dan bijvoorbeeld bij Shakespeare, Heine of Multatuli - niet spontaan was, maar gewild, zij het met veel talent.

Wat "emotioneel effect" betreft: Hij probeerde vrijwel al zijn alineaas zo klinkend en doorslaand mogelijk te maken, ongeacht consistentie met eerdere alineaas, eerdere hoofdstukken, of ander eigen werk, en hij schrijft, zoals ik zei, altijd in hyperbolen. Het resultaat is een soort vloeiend en superieur copywriters advertentie proza, maar dan in véél langere zinnen dan de modale moderne lezer aankan, dat alles vooral dient tot lof van De Heer, die in zijn geval Jean Jacques heet, en die de beste mens is die er ooit was, naar zijn eigen waarachtige, veelvuldige, eerlijke, diep doorleefde getuigenis.

Ik heb een aardig boek over hem van de hand van de zoon van Johan Huizinga, "St. Jean Jacques Rousseau" (**) geheten, die er ergens in opmerkt dat "you either love or loathe him", en Huizinga fils (et père aussi, sans doute) is van de tweede soort, wat makkelijk te begrijpen is, onder andere omdat Rousseau een buitengewoon grote poseur was, en een heel handige leugenaar, en z'n Confessions zijn, tenminste waar het geen makkelijk controleerbare feiten betreft, niet te geloven, vooral niet waar het zijn beschrijvingen van zijn eigen motieven betreft, of die van anderen.

Vooral het eerste is moeilijk in te schatten, alweer vanwege al dat gelieg en geposeer, en omdat hij kennelijk altijd zo was, vanaf heel jong. Maar het is waar dat de rest van de mensheid ook veel liegt en poseert, en dat hij veel dingen over mensen, zoals trouwens veel gestoorden, heel goed en heel snel door had, en dat hij persoonlijk niet bang was, of anders, of ook, heel brutaal.

Het tweede, de motieven die Rousseau aan anderen toeschrijft, zijn meestal ongeloofwaardig, altijd heel partieel, vaak ook met valse bijzinnen, en zijn vooral in volume 2 evident voor een deel paranoïde - hoewel hij ook dàt weer van zichzelf door had, alhans in één geval, namelijk over zijn verdenking van de Jezuïeten bij de moeilijkheden bij het publiceren van zijn "Émile", waarvan hij genezen werd door De Malesherbes, en dat hij fraai beschrijft in de Confessions (Book XI).

Hoe geschift Rousseau feitelijk was (en dat heeft kennelijk nogal gevarieerd door z'n leven) is moeilijk te zeggen, vooral omdat - tussen de regels doorgelezen, en zijn bijzinnen meewegend - hij heel veel doorhad over zichzelf, althans bij gelegenheid. Wat dit weer moeilijk te wegen maakt is dat hij totaal niet consistent was, altijd zichzelf en zijn eigenbelang voorop zette, en altijd voor emotioneel effect schrijft, en altijd in hyperbolen.

Misschien moet in zijn geval Seneca - "There is no genius without a mixture of madness" en Anglais - omgedraaid worden: In sommige gekken kan wat geniaals verdwaald zijn, en in Rousseau's geval was dit een groot talent voor geschreven proza. Andere grote talenten had hij niet echt, zoals hij zelf ook toegeeft, al was hij kennelijk muzikaal, terwijl zijn geschreven proza vooral het product van veel vijlen en van enkele extases schijnt te zijn geweest.

Zijn gesproken proza schijnt heel weinig om het lijf gehad te hebben gehad, zodat hij in dat opzicht niet meekon in de salons van zijn tijd en onder tijdgenoten uit de Franse Verlichting, als Diderot, D'Alembert, Grimm en anderen, die hem overigens bewonderden, althans in het begin, maar hij was daarbij een mooie jongen, die ongetwijfeld wist hoe hij zich sympathiek kon maken of althans doen schijnen, en die dan ook een paar jaar de opgang van een popster had, waar hij dan ook redelijk veel van weg had, inclusief grootheidswaan.

Wat is zijn betekenis? Hij is een wegbereider van veel van wat volgde, en voor velen die hem volgden, zus of zo: Franse revolutie, Romantiek, totalitairisme, socialisme, en met invloed op o.a. Hazlitt, Marx en Multatuli.

De reden voor zijn grote invloed en populariteit is vooral zijn stijl, die altijd lopend is (kennelijk in samenhang met zijn muzikaliteit), en bij gelegenheid heel goed, terwijl hij ook een talent had voor opvallende goedklinkende frases. De meeste van zijn ideeën zijn kennelijk leen- of jatwerk c.q. in zijn tijd vrij gebruikelijk, maar waren nergens verenigd in één persoon, en nooit bij iemand van zijn stylistisch talent.

Als ik Pottle in Boswell's Grand Tour (***) mag geloven, waarin een héél fraai hoofdstuk over Boswell's bezoeken aan Rousseau gaat, dan trof Boswell Rousseau eind 1764 vlak voordat Rousseau definitief overwegend gek werd, en dat dan door een anoniem schotschrift van Voltaire, dat de wereld kond deed van Rousseau's omgang met zijn vijf kinderen, die hij allemaal naar het weeshuis liet brengen als vondelingen, toch vooral omdat ze de carrière van de deugdmens Jean Jacques in de weg stonden.

Hier is Frederick Pottle zelf - en de genoemde Thérèse is de moeder van Rousseau's kinderen, met wie hij niet getrouwd was:

(..) on 27 December 1764, Voltaire published an pamphlet, How the citizens feel, ostensibly composed by a devout Genevan pastor, attributing Rousseau's complaint to venereal disease, accusing him of having exposed his children, of killing Thérèse's mother by his heartless treatment, and of abusing Thérèse herself: Rousseau read the pamphlet on 31 December (a little more than two weeks after Boswell's departure), and from that time was a broken man, frequently insane, always on the verge of insanity. The remaining fourteen years of his life were mainly occupied by frantic flights from persecutors, who seem, after 1765, to have been wholly imaginary. (p. 195-6)

En hier is tenslotte een fraai voorbeeld van Rousseau's stijl, manier van argumenteren, en morele bevlogenheid, uit het begin van vol 2, waarbij de woorden van Frederick Pottle meegewogen moeten worden:

While philosophising upon the duties of man, an event occurred which made me reflect more seriously upon my own. Thérèse became pregnant for the third time. Too honest towards myself, too proud in my heart to desire to belie my principles by my actions, I began to consider the destination of my children and my connection with their mother, in the light of the laws of nature, justice, and reason, and that of religion - pure, holy and eternal, like its author - which men have polluted, while pretending to be anxious to purify it, and which they have converted, by their formulas, into a mere religion of words, seeing that it costs men little to prescribe what is impossible, when they dispense with carrying it out in practice.

If I was wrong in my conclusions, nothing can be more remarkable than the calmness with which I abandoned myself to them. If I had been one of the low-born men, who are deaf to the voice of Nature, in whose heart no real sentiment of justice or humanity ever springs up, this hardening of my heart would have been quite easy to understand. But it is possible that my warm-heartedness, lively sensibility, readiness to form attachments, the powerful hold which they exercise over me, the cruel heartbreakings I experience when forced to break them off, my natural goodwill towards all my fellow-creatures, my ardent love of the great, the beautiful, and the just; my horror of evil of every kind, my utter inability to hate or injure, or even to think of it; the sweet and lively emotion which I feel at the sight of all that is virtuous, generous and amiable; is it possible, I ask, that all these can ever agree in the same heart with the depravity which, without the least scruple, tramples underfoot the sweetest of obligations? No! I feel and loudly assert - it is impossible. Never, for a single moment in this life, could Jean Jacques have been a man without feeling, without passion, or an unnatural father. I may have been mistaken, never hardened. If I were to state my reasons, I should state too much. Since they were strong enough to mislead me, they might mislead many others, and I do not desire to expose young people, who may read my works, to the danger of allowing themselves to be misled by the same error. I will content myself with observing that my error was such that, for want of means of bringing them up myself, in deciding to fit them for becoming workmen and peasants rather than adventurers and fortune-hunters, I thought that I was behaving like a citizen and a father, and considered myself a member of Plato's Replublic.
(...)
My third child was accordingly taken to the Foundling Hospital, like the other two. The two next were disposed in the same manner, for I had five together. This arrangement appeared to me so admirable, so rational, and so legitimate, that if I did not openly boast of it, this was solely out of regard for the mother; but I told all who were acquainted with our relations. I told Grimm and Diderot. I afterwards informed Madame d'Epinay, and, later, Madame de Luxembourg, freely and voluntarily, without being in any way obliged to do so, and when I might easily have kept it a secret from everybody (...) In a word, I made no mystery of what I did, not only because I have never known how to keep a secret from my friends, but because I really saw no harm in it. All things considered, I chose for my children what was best, or, at least, what I believed to be best for them. I could have wished, and still wish, that I had been reared and brought up as they have been. (p. 8-9)

Dit is een uitstekend voorbeeld van Rousseau's stijl van schrijven en argumenteren, hier over de stelling "Never, for a single moment in this life, could Jean Jacques have been (..) an unnatural father".

Ik schreef er zelf als noot bij, in 1983:

A lot of hypocrisy, it seems to me, & the crux is simple: Rousseau did not want to spend time & money on his children: He loved to spend them on Jean Jacques, & being a psychopath he had few worries about what others thought of him.

En daarna las ik niet veel verder in volume 2, tot de afgelopen dagen, wat trouwens onverstandig was, want de man kon werkelijk schrijven, wat je ook verder van hem denkt.

Mijzelf kwam het geciteerde stukje deze keer bij herlezing voor als een soort "Modest Proposal" à la Swift (****), behalve dat deze satire schreef, en Rousseau de kluit belazerde. ("I could have wished, and still wish, that I had been reared and brought up as they have been.")

Hier is een afsluitend oordeel van het artikel "Rousseau" in de Encyclopedia of Philosophy, Ed. P. Edwards, vol 7:

Rousseau's powerful influence on later generations was partly due to his vision of a regenerated human nature, but unlike merely utopian thinkers he seemed to promise a transfiguration of everyday existence, not the pursuit of a hopeless chimera. (...) Moreover, this optimistic outlook was transmitted through a particularly eloquent and persuasive style, rich in emotional and musical overtones, giving the impression of intense sincerity and convincing the humblest of men that he need never feel ashamed to call himself a human being. (p. 224)

Of anders: Een soort Bob Dylan van de 18e eeuw, maal 100.000 dan.


(*) Jean Jacques Rousseau: Confessions - in two volumes, introduction by R. Niklaus. (Everyman's Library No. 859 and No. 860)

(**) J.H. Huizinga: St. Jean Jacques Rousseau - 1978 Heureka, Nieuwkoop - Holland. ISBN 90 6262 061 2. (Vertaling van een oorspronkelijk Engels werk.)

(***) Boswell On The Grand Tour: Germany and Switzerland 1764 - Ed. F.A. Pottle, William Heinemann publishers, 1953.

(****) Dit is een stuk uit het begin van de 18e eeuw, waarin Swift een bescheiden voorstel - A Modest Proposal - doet voor het lenigen van de honger onder de Ierse armen, dat [ik dwaal enigszins af in de rest van deze noot] wellicht binnenkort opgewarmd zou kunnen worden, heel eerlijk en ethisch ook, gezien de stijgende voedselprijzen, en toegepast op de gehele Derde Wereldbevolking, en niet alleen arme Ieren, bijvoorbeeld door Eveliene Herfkens ("Make Poverty History"), die trouwens haar 200.000 valselijk verkregen Euroos huursubsidie gewoon mag houden van Onze Regering in Onze Democratische Rechtsstaat, omdat ze immers "Eén Van Ons" is.

Het voorstel van Swift is ook volledig in overeenstemming met de geest van Marianne Thieme en de moraal van Harry Mulisch en Elsbeth Etty: Men kan werkelijk uitstekende fricassées en ragouts bereiden, tegen heel weinig moeite en kosten, uit verse babies van arme - allochtone - lieden die ze niet kunnen voeden, en dit draagt zeer bij tot het geluk in de wereld, en zou ook heel veel gruwelijk dierenleed beschaafd en menselijk uit de wereld helpen.

"De kwetsbaarste wezens uit onze samenleving worden bij miljoenen gevangen, gemarteld, mishandeld, uitgebuit en afgemaakt. We kunnen en mogen niet langer werkeloos toekijken, nú is de tijd om een daad te stellen.
We staan voor een historisch breekpunt in de strijd voor de rechten van het dier."
   (PVD-verkiezingsproza)

Ook behoeven mensenbabies, anders dan biggen, niet ontstaard noch ontbald, wat ik in de bijzondere aandacht van het Wetenschappelijk Bureau van de PVD aanbeveel, als een bijkomstig voordeel.

Maarten Maartensz


        home - index - top -