Prev-IndexNL-Next

Nederlog

December 8, 2015
Autobio: De eerste 28 jaar van mijn leven
Sections                                                                                                                                                                                         
Introduction


Introduction

This is a Nederlog of Tuesday, December 8, 2015.

This is not a crisis file. The rest of this file (from 1 onwards) is in Dutch, and reviews the first 28 years of my life. This will be made part of my autobiography, that starts here (outside Nederlog) and indeed is written with the help of it.

Also, I have again left out many of the last names, but not all. And I review the first 28 years because I fell ill when I was 28, on 1.1.1979, and never got better, for which reason the first 28 years look rather different from the rest: Until 27 my life was mostly happy; since 28 it was mostly painful, simply because I have had
a lot of pain.

Finally, the present file was typed very quickly and almost completely on December 8, 2015, and will probably be a bit improved and altered after it has been made part of the rest of my autobiography.

1. Van 1950 t/m de eerste helft van 1978

1950-1953
- geboren
- Van Hallstraat 111""
- Borgerstraat 203'
- grootmoeder in deuropening
- ik praat pas op mijn 3e

Ik ben in het midden van 1950 (iets voor de helft) geboren in het Wilhelmina Gasthuis in Amsterdam omdat ik mijn moeder's eerste kind was. De bevalling was makkelijk.

We woonden ca. het eerste halve jaar bij mijn moeder's ouders (mijn vader's ouders heb ik nooit gekend) maar kwamen in 1951 in de Borgerstraat 203' (tussen de Lootsstraat en de Jan Pieter Heijestraat) te wonen, waar we tot oktober 1959 zouden blijven wonen.

Van de eerste twee jaar van m'n leven herinner ik me heel weinig (afgezien van de gestalte van mijn grootmoeder in de deuropening van een zomerhuisje met de zon achter haar in 1952).

Ik praatte ook niet tot kort na mijn 3e verjaardag, dat door  de artsen van kleuterzorg (vrijwel zeker terecht) verklaard werd als "koppigheid". En inderdaad sprak ik vanaf het begin in volzinnen. Verder herinner ik me van mijn derde jaar heel weinig, behalve een verblijf van ca. een week in Haarlem, rond de tijd dat mijn broertje geboren werd.

1954-1955
- 't Winterkoninkje

Dit waren de jaren van de kleuterschool. In feite waren dit de beste schooljaren die ik had, want ik ging met plezier naar school, al leerde ik weinig, en was ik de beste op de kleuterschool.

En nadat mijn moeder mij de letters en cijfers had geleerd, op mijn 4e, leerde ik mijzelf lezen op mijn 5e. Van de vriendjes en vriendinnetjes die ik op de kleuter-
school had kan ik mij alleen Erik-Jan Boogerman en Marianne Botschuijver van naam herinneren.

1956-1959
- Cabotschool
- verliefd (eerste keer)
- vriendjes
- Openbare bibliotheek Oranjehof
- Cousteau
- sadistjes (1 op 10)
- Visschraper: zelfstandig
- snotneus: doorspoelingen en operatie
- Geertje verdrinkt in Juni
- verhuizing naar 2e Hugo de Grootstr 27' in oktober 1959

Van 1956 herinner ik mij een stuk minder dan van 1955 en 1957 en later: Ik herinner me de eerste schooldag op "de grote school" (de Cabotschool) en mijn verblijf in Rotterdam, rond de tijd dat mijn jongste broer geboren werd, maar verder niet veel.

Van 1957 herinner ik me redelijk veel: Robbie Lubsen en Freke Hazes, met wie ik bevriend was; Manja Terpstra op wie ik - voor 't eerst van m'n leven - verliefd was (zij zat in een parallel-klas); meester Bouwer, die de klasseleraar was; meneer Dermouoit, het hoofd van de school, en overigens, niet van school maar uit de straat, André en Frits van Moorselaar; Kickie en Erik Stipriaan (alle vier een paar jaar ouder dan ik, maar mijn beste vriendjes) en redelijk wat anderen.

Ik vond ook uit dat ik de lagere school niet erg interessant want bijzonder langzaam vond, en ik werd op mijn 7e lid van de Openbare Bibliotheek Oranjehof (sindsdien verdwenen) dat een flinke openbaring voor me was, en waar ik wekelijks van 5 tot 15 (de laatste via André en Frits) boeken kon lezen. Dit was heel belangrijk want het vergrootte mijn kennis aanzienlijk.

Eén daarvan - waarschijnlijk de belangrijkste - was Jacques-Yves Cousteau, waardoor ik van mijn 8e tot mijn 14e duiker wilde worden. Ook leerde ik dat ca. 1 op de 10 kinderen sadisten waren (zonder dat ik de term kende).

In de derde klas kreeg ik een lerares die mij geheel niet mocht en me onrechtvaardig behandelde. Mijn - volstrekte individuele - antwoord was dat ik herhaaldelijk de klas uitliep, de school uitliep, en op straat rondzwierf, waar de hoofdmeester mij weer van ophaalde op de fiets.

Ook kreeg ik last van een snotneus die niet overging, die mij eerst heel wat "doorspoelingen" kostte, vervolgens een operatie die ook niet werkte, met uiteindelijk de belofte dat het "met de puberteit wel over zal gaan". In feite
was de verhuizing voldoende.

Begin Juni 1959 verdrinkt mijn broertje, net 6, in het Jan van Galenbad, omdat hij het diepe ingeduwd was terwijl de badmeester niet keek. Vooral mijn moeder is bijzonder ongelukkig, en we verhuizen daarom in oktober 1959 naar een andere woning in een andere buurt: De 2e Hugo de Grootstraat in de Staatsliedenbuurt.


1960-1962

- Hugo de Grootschool
- Meester Wagenaar, Meester Gras, Juffrouw Boogaardt
- Marijke de Leth
- Bennie van Gellekom
- bril: Swelheim, opticiën
- Lydia Blom
- alleen geschikt voor huisschilder, volgens juffrouw Boogaardt
- opvoeding: de maatschappij
- mijn ouders

Ik vond de Hugo de Grootschool een heel stuk minder goed dan de Cabotschool, en had daar geheel gelijk in: De leraren waren lang niet allemaal eersteklas, en het gebouw was oud, slecht en met heel beroerde nauwe ramen.

In de vierde, vijfde en zesde klas had ik resp. meester Wagenaar, meester Gras, en juffrouw Boogaardt. De laatste was het hoofd van de school, en was in 1940-1945 een lid van de NSB geweest. Ze was niet alleen een slechte lerarers, maar mocht mij geheel niet omdat mijn ouders communisten waren.

Ik raakte snel bevriend met Bennie van Gellekom en raakte snel verliefd op Marijke de Leth, dat geheel anders werd overgebracht (zonder het mij te vragen) dan ik het bedoelde door de jongen waar ik naast zat.

In 1960 was ik één van de eersten op school die problemen met mijn ogen kreeg vanwege de slechte schoolramen: ik had een bril nodig, die mij aangemeten werd door dr. Swelheim, die ik aardig vond, en door een opticiën met spatsies in een witte doktersjas, die alleen slecht passende lelijke brillen leverde.

In 1962 wilde mijn moeder me naar de 5-jarige HBS of het gymnasium sturen, want ik was duidelijk heel intelligent, maar je had toen toestemming van het hoofd der school nodig, en juffrouw Boogaardt wilde die niet geven: ik moest volgens haar naar de ambachtsschool om huisschilder te worden "net als zijn vader". Mijn moeder schreef me in voor een toelatingsexamen op de 3-jarige
HBS, die ze zelf afgelopen had, dertig jaar eerder.

Wat mijn ouders mij vertelden over de maatschappij was, geheel vanaf het begin, en eigenlijk altijd, met vele variaties, dat we in een onrechtvaardige maatschappij leefden, waarin een kleine minderheid van rijke mensen het voor het zeggen hadden, en de grote meerderheid alleen hun arbeid hadden om te verkopen, voor een salaris dat altijd gering was, en waarin overigens bijzonder veel gelogen werd, over van alles, en stand op gehouden werd. Mijn ouders hadden hierin gelijk.

Mijn ouders waren allebei hoogbegaafd (IQs boven de 130) maar arm; ze waren allebei zeer rechtvaardig en eerlijk; ze waren ook, hoewel allebei communisten, een stuk minder dogmatisch dan de meesten; en je kon in beginsel alles met ze doorpraten, hoewel het ook zo was dat zij, uiteindelijk, beslisten wat er gebeurde, in hun familie.

1962-1965

- vader moeilijk
- Sachsenhausen tentoonstelling
- niet gelukkig, plat Amsterdams
- blijven zitten
- 1963 Bakkum
- 1964 DDR: zelfstandig
- wiskunde
- 1965: Steinhaus-am-Semmering
- Bibi Schüler
- OPSJ

Vanaf 1960 werd mijn vader een stuk moeilijker, want hij was vaak boos en dan onredelijk. De reden was dat hij meer dan 3 jaar en 9 maanden aan Duitse concentratiekampen overleefd had, als "politieke terrorist". Hij wist dat omdat hij iedere nacht droomde dat hij in het kamp zat.

Hij begon ook voor het Sachenhausen-comité (Sachsenhausen was het laatste kamp dat hij overleefd had) te werken, aan een tentoonstelling over de kampen en de gevaren van een heroplevend fascisme. De tentoonstelling, die er ook vanaf 1965 was, werd z'n levenswerk de komende twintig jaar, en hij is er ook, als één van de twee communisten die geridderd is, voor geridderd.

Ik haalde het toelatingsexamen voor de 3-jarige HBS als één van de besten, maar was niet gelukkig op de school, dat vooral kwam omdat vrijwel alle kinderen uit aanzienlijk betere standen kwamen dan ik, en ik plat Amsterdams praatte het eerste halve jaar, en sommige leraren overgingen op Engels of Duits in hun pretenties mij niet te kunnen verstaan. Uiteindelijk bleef ik zitten, met een 4 voor Engels en een 4 voor handenarbeid, allebei van leraren die een hekel aan me hadden.

In 1963 ging ik voor het laatst met mijn ouders op vakantie: Naar Bakkum, wat ook voor hen 't eerste jaar was, maar waar ze vanaf toen een jaar of 6 vakantie hielden. Ik vond Bakkum wel aardig, maar ook veel te plat Amsterdams (en sprak ondertussen ABN).

In 1964 mocht ik met een groep van de OPSJ - "Organisatie van Progressieve Studerende Jeugd": een communistische mantel-organisatie, zoals de BVD zou zeggen - en een leidster van 19 voor 5 weken naar de DDR, naar het Wilhelm Pieck Ferien Lager, niet ver van de Poolse grens.

Dit was de 2e keer - na de derde klas van de lagere school dat ik een volstrekt uniek en eigen standpunt innam, na een week of 2 à 3, waarin ik als vertegen- woordiger van de Nederlandse groep functioneerde omdat ik redelijk Duits sprak, namelijk dat ik het hele kamp veel te militairistisch en autoritair vond; dat ik het volkomen belachelijk vond dat kinderen van 8 's ochtends, in militaire opstelling, lofredevoeringen van andere kinderen van 8 op Leonid Brehznev moesten houden; dat ik vond dat de DDR niet socialistisch was (wat ik wel vond maar niet zei); en dat het me uiteindelijk - na nogal wat moeilijkheden omdat ik mijn meningen niet wilde inslikken - voorkwam als een "fascistische Schweinerei".

Mijn vader (bekend met diverse ministers van de DDR, uit het concentratiekamp) werd gebeld in de zomer om me terug te halen, maar omdat ik in een roestige spijker had getrapt en bloedvergiftiging had gekregen moest ik het ziekenhuis in, waar ik uiteindelijk kort voor de terugkeer met de groep, uit ontslagen werd.

Een ander nogal groot probleem was de leraar wiskunde die ik had: Een meneer Guiot die feitelijk stuurman was geweest, en wiskunde onderwees aan de lagere klassen omdat hij daar met de Zeevaartschool voor gekwalificeerd zou zijn. Hij was dat niet, en ik was daar niet verlegen over, zodat hij een grote hekel aan me kreeg en me ieder uur dat ik hem had - 5 uur per week - vroeg of ik mijn huiswerk had gemaakt, wat ik verdomde te doen voor hem omdat zijn onderwijs zo beroerd was. Ik kreeg dus 5 keer in de week "Een NUL", en hoewel ik z'n proefwerken met een gemiddelde van een 7 1/2 haalde had ik altijd een onvoldoende voor wiskunde (dat erg jammer voor mij was: met een goede leraar had ik er zeer waarschijnlijk in uitgeblonken).

In 1965 mocht ik weer 5 weken met een groep met een volwassen leider zelfstandig op vakantie (mijn ouders hadden mij niets kwalijk genomen over de DDR toen ik het eenmaal uitgelegd had), deze keer naar Steinhaus am Semmering in Oostenrijk. Ook dit was uiteindelijk een communistisch kamp, maar het was allemaal veel prettiger, niet militairistich en zonder gedwongen lofprijzingen van de Sovjet-leiders, en dit was ook een prettige vakantie, waarin
ik ook een vakantieliefde opdeed, ook beantwoord, voor Bibi Schüler.

Tenslotte was het zo dat ik vanaf het najaar van 1965 een regulier lid van de OPSJ werd, dat toen uiteindelijk bestond uit ca. 20 a 30 zonen en dochters van voornamelijk communisten die intelligent genoeg waren om op de HBS of het gymnasium te zitten. Ik was één van de jongsten, maar ik vond dit gezellig en leuk en bleef een redelijk aktief lid tot de zomer van 1967, en was vaak - op dinsdag, vrijdags en zaterdags - in "Het Pand" dat de OPSJ had, waar je kon doen en laten wat je wilde wat shag, drank en muziek betrof, en waar geen volwassenen bij waren.

1966-1967

- zolderkamer
- OPSJ
- Een goede leraar wiskunde (voor 3 maanden)
- Guyot en Van de Paverd
- Oornick
- Spektakel
- logika
- Edith B.
- Havo "volstrekt debielen-onderwijs"

Mijn vader had in 1965 (meen ik) de zolderkamer die we op zolder hadden voor me verbouwd (het was tientallen jaren niet gebruikt geweest), en vanaf 1965 was en sliep ik daar voornamelijk, en dat was een hele grote vooruitgang voor me, en erg prettig, want ik kon doen en laten wat ik wilde.

Wat ik wilde vanaf mijn 15e was studeren, maar daarvoor zat ik niet op de goede school. Ik las vanaf mijn 14e wel behoorlijk veel Marx, Engels en Lenin, want mijn vader was de scholingsleider van Amsterdam voor de CPN (van ca. 1953-1969), en had behoorlijk wat boeken van ze, overwegend in het Nederlands en soms in het Duits. Ik vond dat allemaal behoorlijk overtuigend behalve de dialektiek, en ik denk dat ik daardoor op mijn 15e serieus in logika geïnteresseerd raakte, maar ik kon daar de eerste twee jaar heel weinig over vinden, en niemand die er veel van wist of erin geïnteresseerd was.

Ook kreeg ik in 1966 - na 4 jaar "onderwijs" van altijd dezelfde ramp - een andere onderwijzer voor wiskunde, ook al een stuurman, maar één die in alle opzichten het tegendeel was van Guiot: Een geboren onderwijzer, en ook één die zag dat ik heel intelligent was, en die me alleen 8-en tot 10-en gaf voor mijn proefwerken, zodat ik voor hem plotseling behoorlijk uitblonk in wiskunde. Maar
hij was een invaller, en hield er na 4 maanden weer mee op.

Een andere onderwijsramp was de leraar natuurkunde, Van de Paverd. Dit kan er heel goed aan gelegen hebben dat het z'n eerste jaar als onderwijzer was, maar hij kon geen orde houden en geen dingen behoorlijk uitleggen. Maar anders dan
Guiot mocht ik hem wel, al vond ik z'n onderwijs flut, wat het ook was.

Tenslotte was er het hoofd der school, Christiaan Oornick, waarvan ik altijd dacht dat er iets met 'm loos was, zo graag en zo trots als hij ieder uur aan z'n sigaar lurkend in de gang stond, bevelen gevend aan leerlingen om hun haar bij te laten knippen (vooral aan jongens: het was ca. 1965 en de Beatles waren populair, maar hun haardracht mocht nog niet van Oornick), en behoorlijk tot zeer onredelijk als je als jongen uit de klas gestuurd was, dat mij redelijk vaak overkwam, terecht en onterecht. (Als meisje, vooral als knap meisje, was het anders.)

In feite draaide een flink deel van mijn leven in 1966 en 1967 rond de OPSJ - de Organisatie van Progressieve Studerende Jeugd - die ik, geheel anders dan de vervelende school, interessant en leuk vond. Dit waren uiteindelijk een stuk of 20 tot 30 kinderen van communisten die intelligent genoeg waren om naar de HBS of het gymnasium te gaan (vandaar "Studerende") en ik leerde er redelijk wat mensen kennen, de meesten een jaar of drie ouder dan ik: De broers B, Gijs S, Marisca B, Edith B, Eddie K, Bas van der H e.a.

En het meeste "werk" dat de OPSJ in 1966 en 1967 deed was het maken van Spektakel, dat een gestencild blad was dat in beginsel iedere maand uitkwam (en dat in 1966 zogenaamd al 19 jaar deed), dat ook in verschillende boekhandels verkocht werd, voor 75 cent, en zelfs heel af en toe in de pers kort genoemd werd. Uiteindelijk waren het gewoonlijk een gestencilde pagina of 12, maar er werd redelijk wat moeite en tijd in geïnvesteerd, ook met flink wat tekeningen en fotoos, en gewoonlijk in tweekleuren druk (zwart en rood).

Ik kreeg ook in 1966 voor vier maanden een bijzonder goede leraar wiskunde, meneer Vis, ook al een stuurman, maar één die in alles het tegendeel van Guiot was.  Bij hem kreeg ik alleen tussen de 8 en de 10, en hij kon ook uitstekend uitleggen.

In maart 1967, terwijl ik nog 16 was, werd ik, met één klap, zwaar verliefd op Edith B, die toen voor het eerst naar de OPSJ kwam. Ze had lang sluik platinablond haar, was behoorlijk lang en slank, was mooi, en ik dacht dat ze "voor mij bestemd" was. Alleen dacht ze daar zelf anders over: ze vond me wel aardig, maar niet meer dan dat, en nadat ik - geheel niet bleu, en daarin geheel anders dan de anderen - redelijk wat keren tevergeefs mijn grote liefde voor haar verklaard had werd ik daar zo teleurgesteld over dat ik vanaf de zomer van 1967
de OPSJ en Edith links liet liggen en me in plaats daarvan op Kreatie 3 richtte.

En ik besloot ook in het begin van 1967 dat dit mijn laatste schooljaar was: Ik was het jaar daarvoor heel goed geslaagd van de 3-jarige HBS, maar direkteur
Oornick had zijn kans gezien mijn leven te versjteren: Toen mijn moeder om toestemming kwam vragen mij naar de 5-jarige HBS te laten gaan was zijn antwoord dat hij die niet gaf want "Maarten is wel intelligent genoeg, maar te lui" (en het was waar dat ik al jaren geen huiswerk maakte, maar desalniettemin een ruime 7 als gemiddelde had: ik vond de school vreselijk dom).

1967-1968

- NMB
- avondgymnasium
- Magies Sentrum Amsterdam
- Kreatie 3
- Ton Gieskes, Ellen Blom, Pietje van der Heyden, Richard Meijer,
  Rieks Hadders, Anja Seite, Rini Seite
- logica, filosofie, rationeel redeneren
- ik ontdek veel van wat me onthouden was
- niemand als ik
- marijuana/hashisch sinds mijn 17e
- Parijs 68, 2x
- London: Foyles, Aristoteles en Plato
- Wittgenstein (via Hermans)
- Excerpta Medica

Ik kwam dus in September 1967 voor de NMB (Nederlandse Miiddenstandsbank, sindsdien tenonder gegaan, al lang geleden ook) te werken, als documentalist, en ging ook vanaf eind Augustus naar het avondgymnasium beta, omdat ik wilde studeren, en nog niet wist wat, en alles wilde kunnen studeren.

Het eerste halve jaar besteedde ik vooral aan de NMB en het avondgymnasium, en dat ging allebei goed. Maar ik was ook in de zomer begonnen naar Kreatie 3 (ook bekend als K3) te gaan, die een garage in de Diderotstraat gehuurd hadden, waar je Woensdags, Vrijdags en Zaterdags kon feesten.

K3 was in 1966 ontstaan op de Volkeltocht (demonstratie tegen de atoomwapens op Volkel), waar ik wel aan deelgenomen had, maar niets van K3 wist. K3 was een linkse club, maar minder CPN-georienteerd dan de OPSJ, en de meeste leden waren een jaar of drie ouder dan ik, maar ik was er snel prominent, en raakte bevriend of bekend met
Ton Gieskes, Ellen Blom, Pietje van der Heyden, Richard Meijer, Rieks Hadders, Anja Seite, Rini Seite en anderen (alleen Anja was zo oud als ik), en vooral met de eerste drie.

Ton en Ellen woonden samen in de Utrechtsestraat op een klein kamertje, en introduceerden mij in de herfst van 1967 tot de marijuana en hashish, dat veel  gerookt werd in K3, net als trouwens in de rest van jong en links Nederland. Ik vond het lekker, maar was geen grote enthousiast.

Ook kwam ik er eind 1967 en begin 1968 achter hoe bijzonder veel me feitelijk of onthouden was op de HBS of alleen zeer dom, saai en oninspirerend "behandeld" was: Literatuur, wiskunde, natuurkunde, geschiedenis en logika waren mij voornamelijk onthouden, en ik vond pas vanaf eind 1967 goede boeken daarover.

Ik leerde heel erg veel in betrekkelijk korte tijd, trouwens niet alleen over wetenschap maar ook over muziek en uitgaan, maar het was me toen al duidelijk dat ik maar heel weinig van mijn enthousiasme kon delen met anderen: Er was niemand als ik, al waren er wel enkelen - als Anja Seite, Pietje van de Heyden en Richard Meijer - die werkelijk intelligent waren. Maar géén had theoretische of wetenschappelijke of literaire belangstellingen als ik (dat overigens nauwelijks een probleem was, niet voor mij en niet voor anderen).

In April 1968 besloot ik mijn baan aan de NMB op te geven, en deed dat vooral om naar Parijs te kunnen gaan, waar sinds Maart een hele grote studenten- beweging was ontstaan, ook met steun van arbeiders. Ik ging er feitelijk twee keer heen, de eerste keer tussen 6 en 10 mei met diverse mensen van K3; de tweede keer op m'n eentje op de brommer in Juni, en ik beschouwde en leerde
veel, maar nam niet deel aan demonstraties (waarvan er velen waren, ook met grote gevechten met de politie).

In Augustus 1968, nadat de revolte of revolutie in Frankrijk mislukt was, ging ik ook voor een week naar London, waar ik boeken van Aristoteles en Plato kocht - de Ethics en Four Dialogues - en was zeer enthousiast over hun verstand geworden, dat zich uitte in een veel grotere belangstelling voor filosofie. Deze belangstelling werd ook aangewakkerd door essays van W.F. Hermans over Wittgenstein.

En ik besloot in September weer een vaste baan aan te nemen, deze keer als codeur van medische tijdschriften voor Excerpta Medica, dat toen een onderdeel
van Elsevier was, en begon op de Herengracht, in een fraai pand, met een stuk of 8 anderen, bijna allemaal vrouwen.

1968-1969

- Exc Med: Lore, Margarita, Lizzy,
- Veel medische tijdschriften
- Uitzendbureaus
- Sandra Emonds, Mimi Roberts (?), Pauline Beran
- Carolien van Eelen
- Maagdenhuis bezetting
- Filosofie-club: Nico & Dolly Dijkstra
- Verhuizing Landsmeer
- Werken voor "De Waarheid"
- "Kapitalisme en Revolutie"

Excerpta Medica beviel me in het begin, niet vanwege het werk (dat feitelijk bijzonder geestdodend was) maar vanwege de vrouwen: ik raakte goed bevriend met Lore, Margarita en Lizzy, en redelijk met anderen.

Er waren ook bijzonder veel medische tijdschriften (ik zag er in die tijd meer dan vrijwel ieder ander) en het koderen van de adressen van de schrijvers van medische artikelen was bijzonder geestdodend, zodat ik daar uiteindelijk weer redelijk snel mee opgehouden ben in het voorjaar van 1969, en me zette aan het werken als typist talen voor uitzendbureaus, dat ook al geen vrolijk werk was, maar althans minder geestdodend, en dat me genoeg opleverde om van halve dagen werk te kunnen leven.

Ik leefde ondertussen nog behoorlijk gelukkig op de zolderkamer in de 2e Hugo de Grootstraat, en ontving daar ook diverse vriendinnen die ik niet van K3 of de OPSJ kende, zoals Sandra Emond, Mimi Roberts (als ik de achternaam goed heb: een zeer fraaie roodharige Amerikaanse), en Pauline Beran, die ik eind 1968 op een tentoonstelling over Parijs '68 trof.

Ook had ik Carolien van Eelen leren kennen, die in een boekhandel op de Bilderdijkstraat werkte, en bijzonder fraai en aardig was, en waar ik in Januari 1968, nog op mijn 17e, de Tractatus van Wittgenstein kocht én las: ik vond het behoorlijk indrukwekkend, maar was het er niet mee eens (en corrigeerde de
laatste stelling tot "Wovon man nicht schweigen kann, davon musz man sprechen").

Carolien - die samenwoonde, maar haar vriend was op reis - ontmaagde me uiteindelijk in begin 1969, voor mijn 19e, maar de verhouding draaide op niets uit vanwege haar vriend, die snel terugkwam.

Ook in 1969, een paar maanden na Carolien, was de Maagdenhuis-bezetting door studenten. Ik was geen student (maar leende al wel van de UB - de universiteits-
bibliotheek), maar ging over de houten brug het bezette Maagdenhuis in en bleef
daar enkele uren. Ik vond het vooral folklore, zeker vergeleken met wat in Parijs gezien had in Mei 1968, maar ik was een enkeling.

En in 1969 was er een wekelijkse filosofie-club bij Nico Dijkstra, die ik kort daarvoor ontmoet had, en die werkelijk intelligent was (maar zwaar dyslectisch, dat hem van het universitair studeren weerhouden had), bij hem thuis, waar meestal wel een man of 10 a 20 waren, en waar ik zeer prominent was door
mijn verbale spraakwater-aanvallen, die ook heel helder waren. Maar hier heb ik
ook redelijk wat geleerd, mede doordat de meeste deelnemers, net als Nico en zijn vrouw Dolly, een jaar of 10 ouder waren dan ik.

Eind 1969 verhuisden mijn ouders naar Landsmeer. Voor hun was het een flinke vooruitgang; voor mij was het een grote achteruitgang: Met een kleinere en veel slechtere kamer, 10 kilometer van Amsterdam, heb ik er nooit werkelijk geaard,
en inderdaad sliep ik in het begin van 1970 heel vaak in Amsterdam, bij de Dijkstra's of bij Ton en Ellen, die toen ook naar de Keizersgracht 192 verhuisden,
in het K3-pand daar (gedeeltelijk gehuurd, sindsdien verkocht aan de Anne Frank stichting).

Ook begon ik in 1969, na een tijd als typist talen, in de avond voor De Waarheid te werken, dat me genoeg opleverde om van te overleven. Ik dankte deze baan aan mijn vader, en vond dit leuker dan Excerpta, de NMB of typist talen.

En tussen September en December 1969 schreef ik, geholpen door Nico Dijkstra, maar vrijwel alleen, want hij was zwaar dyslectisch, "Kapitalisme en Revolutie" dat ik enerszijds nog steeds een heel goed neo-marxistisch stuk vind, voor die tijd, in die omstandigheden, maar waar ik het anderszijds, sinds 1970, vrijwel volledig mee oneens ben, want het was inderdaad neo-marxistisch, en ik gaf het hele marxisme op vanaf de tweede helft van 1970.

1970

- Ton en Ellen naar Keizersgracht
- Edith B
- Winnie Meyer Ricard
- Sleep-In:
Fred Vogelzang, Toon, Rudi te Velde, Magdaleen van der Wüsten,
  Sjirk Westra, Tamara, Joeri Solnoky, Theo de Roos, Lodewijk Breel

- Rapport erover geschreven
- Bertrand Russell
- Zocherstraat 75 iv
- Verandering van "neo-marxist" in een soort Russelliaans "analytisch filosoof"

Eind 1969 kregen Ton en Ellen te horen dat ze een huurachterstand hadden, die ze niet wilden betalen. Ze konden verhuizen naar een aanmerkelijk grotere hoewel nogal duistere kamer aan de Keizersgracht 192, dat gedeeltelijk gehuurd was voor
K3 door Rieks Hadders, en waar Rieks en Sonja, Ger en Lenie, en Richard Meijer ook woonden, allen van K3.

Ik hielp ze verhuizen en verbouwen, en mede daarom, en ook vanwege de verhuizing naar Landsmeer, en de radikale stemming in Nederland, liet ik het avondgymnasium verslonzen. Ook kwam ik weer in kontakt met Edith B, op haar initiatief, al was ze nog steeds niet verliefd op me. Maar we correspondeerden wel over de liefde, en we hadden enkele politieke plannen, waar we ook wat aan deden, die echter (zoals ik verwachtte) op niets uitliepen.

Begin Mei 1970 leerde ik Winnie Meyer Ricard kennen, die mij vrij snel daarna uitnodigde staflid van een Sleep-In te worden, omdat ze me daar geschikt voor vond, en ze een belangrijk lid van de Stichting ZJA was, die sinds 1969 probeerde de vele hippies die naar Amsterdam kwamen aan betaalbare slaapplaatsen te helpen.

Ik accepteerde, en begon half Juni in de Haarlemmer Houttuinen, en vanaf Juli op de Rozengracht. Ik leerde daar o.a. Fred Vogelzang (de vriend van Winnie), Toon (achternaam vergeten), Rudi te Velde (?), Magdaleen van der Wüsten, Sjirk Westra, Tamara, Joeri Solnoky, Theo de Roos, en Lodewijk Breel kennen.

Uiteindelijk was ik iets als "de leider" van de Sleep-In, na een ommekeer in Juli,
maar dat lag vooral aan mijn verbale vaardigheden en initiatieven, want overigens werd de Sleep-In door de groep van eerst 12 en vanaf Augustus 16 stafleden gerund. Ik schreef er nadat het afgelopen was ook het eindrapport over, en diende
dat o.a. bij wethouder Verheij in, maar die ontkende het ooit gezien te hebben, en loog vrijwel zeker. (Ik was geheel niet enthousiast over zijn beleid.)

Ik was ook in Mei begonnen de autobiografie van Bertrand Russell te lezen, die me behoorlijk beindrukte, en waarvan ik tot dan niets gelezen had, wat de komende jaren radikaal verholpen zou worden, en dit, de domheid van het partij-
bestuur, de houding van Verheij, het totalitairisme in de CPN, en een stel reële moeilijkheden met het marxisme die ik overwegend zelf gevonden had, vooral samenhangend met de arbeidswaarde-leer en het transformatie-probleem, keerden me uiteindelijk radikaal van de CPN af, tussen oktober 1970 en April 1971, en ik stopte mijn partij-lidmaatschap toen ik in de Zocherstraat kwam te wonen.

Ik kwam in de Zocherstraat terecht omdat Niko en Dolly en hun twee kinderen daarheen verhuisden in het voorjaar van 1970. Dit was een veel mooiere woning dan ze tot dan toe hadden, op drie hoog, met daarboven een zolderkamer op vier hoog die ze mij ergens in Mei of Juni aanboden, en die ik blij geaccepteerd had, en die ik vanaf november 1970 bewooonde, weer in Amsterdam, met uitzicht
over het Vondelpark.

1971 - 1973

- 2 stukken in "De Waarheid" over krakers
- studenten de macht in de Nederlandse universiteiten (Veringa)
- 14 onderwerpen:
filosofie, wiskunde, logica, psychologie, sociologie, economie,
   religie, mystiek, linguïstiek, natuurkunde, medicijnen, literatuur, geschiedenis
   en computers
- geheel eigen weg
-
De verschillen tussen mij en de anderen liggen vooral in intelligentie,
  belangstellingen en eerlijkheid (maar zijn niet problematisch)
- problemen met de gemeente
- verboden te werken "door B&W" in de Sleep-In
- Stephanie in augustus 1971
- Engeland begin 1972
- Samenwonen, trouwen? Geen geld, geen toestemming, geen werk in Engeland
- Lynne in Mei 1973: Woonboot, samenwonen, Stephanie zwanger
- Lynne en ik uitelkaar eind 1973

Het begin van 1971 verdeed ik vooral met vergaderen over het komende jaar van de Sleep-Ins, waar veel gesproken en weinig verricht werd, en ik telkens weer stuitte op mevr. mr. Storm, die altijd beweerde, meestal te onpas, in mijn visie, dat ze "namens B&W" sprak. En B&W wilde wel hippies helpen huisvesten, vanwege het gevaar dat niet huisvesten zou opleveren voor de welstaander toeristen, maar het moest vooral zo weinig mogelijk of niets kosten, wat ik zeer onverantwoordelijk vond.

Ik werd ook door Marisca B gevraagd voor De Waarheid te schrijven, en deed dat door interviews (over 2 stukken) met 2 vrienden, Charley en Lodewijk (allebei geen kommunisten), die een groot kraakpand in de Rosmarijnsteeg runden. Dit was - volgens mij - het eerste stuk in "de landelijke pers" over het kraken en over krakers (dat ca. 1969 begonnen was), maar de vreugde daarover werd geheel vergald door een bijzonder stompzinnige en beledigende reactie van Waarheid-redakteur André Roelofs, die het mijn vrienden kwalijk nam dat ze geen kommunisten waren en geen partij-standpunten uitdroegen.

Ik studeerde wel heel hard, al was dat overwegend niet voor een staatsexamen (waartoe ik besloten had, ook zonder avondschool) en las al in 1971 bewust in de grote meerderheid van de 14 onderwerpen waar ik sindsdien in las: filosofie, wiskunde, logica, psychologie, sociologie, economie, religie, mystiek, linguïstiek, natuurkunde, medicijnen, literatuur, geschiedenis en computers. Volgens mij las ik toen al bewust in al deze onderwerpen behalve in medicijnen en computers, die later kwamen.

En ik ging ook, geheel zelfbewust ook, geheel mijn eigen weg: Ik kende helemaal niemand die zo was of zo deed als ik, en ik was me dat zeer welbewust, maar het was niet problematisch: de verschillen tussen mij en anderen waren evident in intelligentie, belangstellingen en eerlijkheid, maar dat belemmerde mijn behoorlijk uitgebreide sociale kontakten niet, en gaf ook weinig of geen problemen.

Waar ik wel herhaaldelijk problemen mee had was mevrouw mr. Storm, en zij liet me weten in Mei 1971 dat "B&W" hadden besloten dat ik, en alleen ik, niet meer voor de Sleep-In mocht werken, en dat mij bovendien, alweer "namens B&W" de toegang tot enige Sleep-In ontzegd was.

Ik vond dat niet vreselijk, want ik had al besloten alleen voor de Sleep-In te werken als het beter georganiseerd zou zijn, wat evident niet zo was, ook al omdat mevr. mr. Storm de hele Stichting ZJA, die het volkomen met mij eens was, buiten spel had weten te zetten: Hippies werden opgevangen in 1971 "namens B&W" en niet meer in Sleep-Ins verzorgd door de ZJA (die ook snel opgeheven werd).

Het was even slecht of nog slechter georganiseerd in 1971 dan in 1970, en de stafleden op de Rozengracht (in ieder geval) staakten zelfs in Juni of Juli, waar ik ook bij betrokken werd, maar de staking verliep, en ik had er verder niets meer
mee van doen.

Eind augustus 1971 ontmoette ik tijdens een feestje in het kraakpand op de Rosmarijnsteeg Stephanie Faulkner, met wie ik het onmiddellijk bijzonder goed kon vinden, omdat ze mooi en exceptioneel intelligent was. We schreven elkaar snel en ze nodigde me uit in het begin van 1972 naar Leamington Spa te komen, waar ze woonde, wat ik deed, en waar we allebei zeer verliefd op elkaar werden,
maar waarbij ook bleek dat Stephanie problemen had en dat ik geen verblijfs-
vergunning en geen werkvergunning in Engeland kreeg, en er hooguit 2 maanden aaneen mocht verblijven.

We hadden serieuze samenwoon-plannen en huwelijkse plannen, maar allebei werden in ieder geval versjteerd doordat ik niet in Engeland kon wonen: Ik had geen geld, kreeg geen toestemming voor enige vergunning, en moest het land uit na 2 maanden, wat ik herhaaldelijk deed, maar dat geen goed fundament voor een behoorlijke relatie was.

De relatie hield echter 1 1/2 jaar stand, met mij herhaaldelijk in Engeland, en zij herhaaldelijk in Amsterdam, maar het was wel zo dat zij erop stond een Engelse vriend te hebben, wat ik accepteerde, vooral door gebrek aan keus. Toen ik na
1 1/2 jaar met een Amerikaanse naar bed ging, was ze beledigd en liet me niet
weten dat ze zwanger was tot nadat er niets meer aan te doen was. Volgens haar
was het kind niet van mij, wat ik accepteerde omdat zij en ik blauwe ogen hebben, en het kind bruine ogen, maar nadat ik een half jaar met Lynne Decker (de Amerikaanse) had samengewoond, dat door Lynne (terecht) beëindigd werd omdat we niet echt bij elkaar pasten, was mijn liefde voor Stephanie voorbij, al was ze wel, toen en sindsdien, de intelligentste vrouw die ik gekend heb.

Ook was ik in Mei 1973 verhuisd van de Zocherstraat naar een woonboot op de Oudeschans, en dat vooral omdat Nico Dijkstra mij de huur opgezegd had, gedeeltelijk omdat hij de zolderkamer aan zijn zoon wilde geven, en gedeeltelijk (gis ik, met aanzienlijke waarschijnlijkheid) omdat ik geen communist meer was, en hij nog wel.

1974

- Stephanie een dochter in Januari 1974
- Agnethe in Amsterdam
-
ze was behoorlijk tot zeer intelligent, erg rationeel en redelijk, heel moreel, en
  erg vriendelijk, en vooral de eerste vier kenmerken waren behoorlijk
  uitgesproken en zeldzaam.

In Januari 1974 zette Stephanie een dochter op de wereld, en raakte weer in mij geïnteresseerd omdat mijn relatie met Lynne voorbij was, maar hoewel ik haar nog wel bijzonder mocht was mijn liefde voor Stephanie voorbij. Bovendien
arriveerde Agnethe Weisser in Februari in Amsterdam, die ik daarvoor gekend had als beste vriendin van Lynne, en die nu naast me kwam te wonen op de woonboot.

Ik leerde haar daarom veel beter kennen en ze beviel me zeer: ze was behoorlijk tot zeer intelligent, erg rationeel en redelijk, heel moreel, en erg vriendelijk, en vooral de eerste vier kenmerken waren behoorlijk uitgesproken en zeldzaam. We groeiden snel naar elkaar toe en werden verliefd op elkaar en gingen feitelijk samenwonen op de woonboot.

In de zomer van 1974 ging ze naar Noorwegen om daar geiten te hoeden en te melken met een vriendin, en kwam in September weer terug, toen we besloten
dat we eind 1974 of begin 1975 samen op vakantie zouden gaan. Ik dacht aan
Italië of Griekenland, maar Agnethe bleek heel goedkoop een huis in Dovre, in Noorwegen, te kunnen huren, dus uiteindelijk besloten we dat te doen, en tegelijk de woonboot - die oud, verkrot, en slecht was - geheel op te geven, en in ieder geval een maand of 3, in de winter, in Dovre door te brengen.

1975

- Dovre bevalt zeer
- oppholdstilladelse
- Koeien melken in de zomer: Zinnig werk
- mijn staatsexamen wordt me door de neus geboord
- Agnethe wordt geaccepteerd als journaliste in Lom
- Rijbewijs gehaald in Lillehammer in December 1975

Dovre bleek ons bijzonder te bevallen: Het huis - een grote blokhut uit 1795 - was heel redelijk; de omgeving was ontstellend prachtig; we konden er redelijk leven door heel goedkoop te leven (aardappelen, kool en "fiskeboller", zijnde een mengsel van meel en vis); en we konden doen en laten wat we wilden (en leefden niet in Dovre, maar erboven).

Ergens in Maart kwam de sheriff langs, die ons meldde dat ik te lang in Noorwegen was (waar ik geen idee van had), maar dat hij voor mij een "opholdtilladelse" en een "pataleunladelse" had: 't eerste was een verblijfs- vergunning, en het tweede een ontslag van rechtsvervolging.

De verblijfsvergunning was zonder arbeidsvergunning, maar (1) de sheriff wist zo goed als ik dat ik wel wat werk deed (als landbouwer, vooral omdat ik dat leuk vond) en (2) ik was nog steeds van plan in Mei terug te keren naar Nederland, om een staatsexamen te doen, en in de herfst in Amsterdam te gaan studeren.

We kregen echter in April de vraag voorgelegd of Agnethe en ik in de zomer meer dan 20 koeien wilden melken en verzorgen op een zomerboerderij (hetzelfde werk als Agnethe en haar vriendin het jaar daarvoor met geiten hadden gedaan), en na een korte aarzeling hadden we dat blij aanvaard, vooral omdat Noorwegen ons zeer beviel, en het enige wat we nodig hadden om er langer te blijven geld was.

Ik schreef, ruim op tijd ook, dat ik helaas wegens verblijf en werk in het buitenland (ik woonde ondertussen officieel in Dovre), verhinderd was in het voorjaar naar Nederland te gaan voor het staatsexamen, maar graag de kans waarnam om - wat kon - het in de herfst te doen. Ik kreeg eerst geen antwoord, en ergens in Mei, 2 weken na het examen, kreeg ik een hoogst onbeschofte brief dat als ik niet verscheen ik gezakt was.

Het werk op de zomerboerderij deden we heel goed, en toen hadden we ook weer geld. Agnethe, die daarvoor al incidenteel journalistieke stukjes ingeleverd en gepubliceerd had in de Gudbrandsdalen og Lillehammer Tilskuer, werd gevraagd of ze journaliste in Lom wilde worden voor GoLT, en had ja gezegd.

Een probleem was dat zij noch ik konden autorijden, maar ik haalde mijn rijexamen moeiteloos in December 1975 (op ijs, in Lillehammer), en we verhuisden begin Januari 1976 naar Lom, waar ik voor het eten, de schoonmaak, en het rijden van Agnethe zou zorgen, en zij als journaliste zou werken.

1976

- verhuizing naar Lom
- nieuw gebouwd huis met zeer fraai uitzicht
- ik rijd Agnethe en zorg voor eten en schoonmaken; zij is journaliste
- staatsexamen gehaald in Juni: geen studiebeurs vanwege Bolten
- lange brief over het marxisme

De woning die we in Lom huurden was geheel anders dan die te Dovre: Dit huis stond er pas; was wel weer op een berghelling boven he dorp met een bijzonder fraai uitzicht over de vallei en de rivier de Bovre; en was gebouwd voor het pensioen van een man die in Otta een houtfirma had, in Lom geboren was, maar nog niet aan z'n pensioen toe was.

We konden het - zeer fraaie - huis voor weinig geld huren, waarop nog in mindering kwam wat GoLT Agnethe betaalden voor haar "kantoor in huis".

De werkverdeling was als boven geschetst, en inderdaad heeft Agnethe vrijwel niet gereden gedurende de hele tijd dat ze in Lom woonde.

Ik had mij weer ingeschreven voor een staatsexamen, en deed dat ook in 1976, waarvoor ik twee keer heen en weer naar Nederland moest, voor het schriftelijk en voor het mondeling en de uitreiking van het diploma.

Ik haalde het examen heel makkelijk, en had ook overlegd met Theodoor Bolten, de studie-adviseur van filosofie, omdat ik besloten had met filosofie te beginnen, o.a. omdat ik moest weten hoe ik een studiebeurs kreeg. Wel... hij adviseerde me, deed dat volkomen fout (achteraf, gezien alle fouten die hij consistent tegen me maakte vrijwel zeker opzettelijk) en ik kreeg geen beurs toegekend voor 76-77, en moest dus weer in Noorwegen blijven.

Daar had ik opzichzelf weinig op tegen - het leven in Noorwegen was heel prettig - maar ik wilde absoluut studeren, dus het mij niet toekennen van een studiebeurs was onprettig en belemmerend, maar ik zocht de fout toen niet bij Bolten.

Ook kwam ik in de zomer van 1976 twee jonge vrouwen tegen die hetzelfde werk deden als Agnethe en haar vriendin in 1974 deden: geiten hoeden en melken, en beiden beweerden zowel marxisten als feministen te zijn, waar we redelijk wat uren over gepraat hebben. Ze waren wel intelligent en studeerden allebei, maar
ze wisten niet echt veel van - in ieder geval - het marxisme, zodat ik ze daar een lange, fraaie en zinnige brief over schreef, die ze nooit beantwoord hebben.

1977

- het is een stuk makkelijker
- naar Jotunheimen en Geiranger
- middelbare landbouwschool: ik word jordburksavloysar
- ik ga op 15 augustus terug naar Nederland, en begin de studie filosofie
- Na 2 jaar 7 maanden en dagen Noorwegen --> Thoreau
- Bijstandsuitkering + maanden wachten op studiefinanciering
-
Jan Kloos, Peter Meyer + Joan L, Hans Piso, en Ida Meertens
- de studenten van Cogito
- de docenten, de studenten en de Nederlandse universiteiten
- De "marxistiese" UvA 1971-1995
- Sexuele verhoudingen
- Anky A
- Agnethe terug in Amsterdam
- 4-6 uur dansen eind 1977

In 1977 was het werk voor de GoLT een stuk makkelijker dan in 1976, en konden Agnethe en ik er herhaaldelijk op uit, en zijn in Jotunheimen (het hoogste bergmassief in Noorwegen) en aan het fjord, in Geiranger, geweest, dat allebei zeer indrukwekkend was.

Ook had ik de tijd om naar de middelbare landbouw- school te gaan, waar ik in Mei 1977 afkwam met wat ik als mijn beste diploma beschouw: Ik was gekwalificeerd als "jordbruksavloysar", dat wilde zeggen dat ik bevoegd was Noorse boerenbedrijven over te nemen en te beheren, zodat de boer op vakantie kon of het ziekenhuis in.

Ik was ook in Mei iemand tegengekomen die aan de universiteit in Oslo werkte, die me verteld had dat ik probleemloos kon studeren in Oslo. Ik deed dat echter niet - wat achteraf de grootste fout van mijn leven was - en besloot naar Nederland terug te keren om daar te studeren, en deed dat ook op 15 augustus, na 2 jaar, 7 maanden en 15 dagen Noorwegen (waar ik had moeten blijven, en ongetwijfeld ook een arbeidsvergunning zou hebben gekregen).

Eenmaal terug in Nederland was er - in tegenspraak met de afspraken - zowel geen woning voor me als geen studiebeurs, zodat ik weer bij mijn ouders in Landsmeer moest intrekken, en een bijstandsuitkering aanvragen, wat ik deed.

Eind augustus begon de studie filosofie, en leerde ik o.a. Jan Kloos, Peter Meyer (en zijn vrouw Joan L, die geen filosofie studeerde, maar pedagogie) Hans Piso, en Ida Meertens kennen en werd ook voor het eerst blootgesteld aan quasi- marxistische studenten, in dit geval leden van de studenten-vereniging Cogito, die mij vroegen wat ik van Marx vond. Ik zei dat ik 'm kende (en had geen lust mijn communistische achtergrond te onthullen), maar dat ikzelf Charles Peirce voor een groter filosoof hield. Hun antwoord was dat ik dan "zoiets als een fascist" was - wat me zeer bevreemdde, maar echt was wat zij vonden.

Dit was ook het begin van mijn totale bevreemding met de Universiteit van Amsterdam, die uiteindelijk vooral terug gaat op de beslissing van minister Veringa uit 1971 (2 jaar na de Maagdenhuis-bezetting) om de Nederlandse universiteiten effectief aan de studenten te geven, iets dat verder nergens ter wereld plaatsvond.

De reden was vooral dat de universiteiten tussen 1971 en 1995, bij wettelijk kamerbesluit, bestuurd werden door parlementen, zowel per universiteit als per faculteit, waarin gold dat voor iedereen die voor de universiteit werkte of er studeerde (dus portiers en secretaresses, professoren en lectoren, en studenten) het principe gold "één mens = één stem", wat garandeerde dat de studenten overal en altijd de absolute meerderheid hadden, terwijl de meeste studenten, voorzover ze georganiseerd waren, georganiseerd waren als leden van de CPN, en dat zeker tussen 1972 en 1985.

En dit had weer tot resultaat dat heel veel docenten (professoren en lektoren), en zeker bij filosofie, plotseling zeiden "een grote belangstelling" (sympathie, passie etc.) "voor het denken van Karl Marx" te hebben, eenvoudig om hun - exceptioneel makkelijke, zeer welbetaalde - baantjes zeker te stellen.

Voor mij, met mijn zeer doortimmerde marxistische achtergrond, was dit feitelijk volkomen waanzin: ik was gearriveerd in Nederland bij een zwaar gepolitiseerde, fundamenteel anti-wetenschappelijke universiteit, waar tegelijkertijd gepretendeerd werd, geheel in tegenspraak met de feiten, dat dit alles het geven van wetenschappelijk onderwijs niet zou verhinderen. Wel...het deed dat zeer, maar ik had in 1977 nog niet door hoezeer.

In feite was de UvA, net als alle andere Nederlandse universiteiten, marxistisch geworden, of beter gezegd "marxistisch": De macht was in de handen van de studenten, die in ieder geval tot 1985 zeer links of communistisch waren, en de macht werd uitgeoefend in de parlementen, waar de studenten altijd de absolute meerderheid haddeb, en door het College van Bestuur, dat afkomstig was uit de PvdA, maar dat ook vaak deed alsof ze veel linkser waren dan ze feitelijk waren.
In feite was het CvB vooral uit op persoonlijke macht.

Ondertussen had ik mij vanaf eind Augustus in "het studenten-leven" gegooid en was ik, ook omdat mij dat toegestaan was door Agnethe, met verschillende studentes naar bed geweest, eenvoudig vanwege het lekkere, en niet omdat ik verliefd op ze was.

En ik was wel verliefd geworden, namelijk op Anky A, die fraai rood haar had en een katholieke achtergrond had. Ze zag in eerste instantie niet zoveel in me, maar werd later behoorlijk verliefd, maar - wellicht vanwege haar achtergrond - liep ze wel naakt in de rondte maar ging ze niet met me naar bed (waar ik niet veel op tegen had omdat ik dat met anderen kon).

In December 1977 kwam Agnethe terug, ook na haar doktoraal-examen sociologie afgelegd te hebben, en gingen we samenwonen in Diemen, waar ik ergens eind September naar toe kon verhuizen. Ze was heel realistisch en heel redelijk over Anky, maar dat had er ook mee te maken dat voor ons allebei de verliefdheid op elkaar overwegend verdwenen was.

Tenslotte herinner ik me een Oudjaars-feest met heel veel mensen, en dat vooral omdat ik daar 4 tot 6 uur aan één stuk door danste, dat een jaar later tamelijk belangrijk leek, eenvoudig omdat ik toen ziek was en het geheel niet meer kon, geen 5 minuten.

1978

- studietoelage ingetrokken: Bolten
- Jan krijgt een baantje bij Artis + grote problemen
- Overwegend uit met Anky
- besluit geen colleges meer te volgen
- er is waarheid maar vrijwel niemand weet meer dan een heel klein deel
- Ramsey, "Foundations"
- inschatting van mijzelf op mijn 27ste
- Belangrijke schrijvers
- er is alleen een kleine minderheid van intelligente mensen
- Einde van relatie met Agnethe
- Einde van relatie met Anky

Ik had mijn studiebeurs pas in november uitgekeerd gekregen (wat mij volgend jaar aanzienlijke problemen met de bijstand van Landsmeer opleverde, al heb ik ze alles terugbetaald) en kreeg in December te horen dat ik geen recht had op een studiebeurs, en die voor de rest van het jaar ook niet meer zou krijgen.

Ik had dus weer een jaar grotendeels verloren. Waardoor dit kwam weet ik niet meer, al is de beste verklaring dat ik 27 geworden was, en dat Bolten me weer verkeerd geadviseerd had.

In feite moest ik dus weer werk zoeken, al had ik de eerste maanden geld genoeg (dat ik later moest terugbetalen). Ondertussen was ik goed bevriend geraakt met Jan Kloos, die ik bij filosofie had leren kennen, dat hij was gaan studeren na zijn doctoraal biologie.

Hij was werkelijk intelligent, en kreeg in het begin van 1978 een baan in Artis aangeboden als bioloog, die hij aannam, maar dat bijna onmiddellijk nogal radikaal fout ging omdat hij telkens flauw viel, concentratie-problemen had, en meer, dat hem in de GAK deed belanden, waar zijn tweelingbroer iets als directeur was, dat hem aanzienlijke hoeveelheden meer geld en vrijheden verschafte dan hij anders gehad zou hebben.

Jan zou de komende jaren - ik vermoed tot minstens 1985 toe - ziek in de ziektewet zitten, maar omdat hem dit veel geld opleverde gaf hij dat voornamelijk uit aan drankgebruik, zodat hij rond 1985 een zware alkoholist was,
al gaf hij dat zelf niet toe.

Met Anky ging het al in Februari 1978 overwegend uit, niet door haar gebrek aan sexualiteit, maar doordat ze herhaaldelijk stukken van mij ingeleverd had als zijnde van haar, ook zonder er iets aan te doen.

Ik besloot begin 1978 ook géén colleges filosofie meer te volgen, eenvoudig omdat alle docenten minus één totaal niet in staat waren behoorlijke colleges te geven, en de gang erheen mij alleen tijd kostte en nooit wat opleverde.

En ik ben een behoorlijk skeptische realist op mijn 27ste: Er is kennis, en voorzover empirisch is die over de ene werkelijkheid waar we allemaal deel van uitmaken, maar de meeste mensen weten heel weinig (en geloven zeer veel, vrijwel altijd zonder enige goede redenen) en niemand weet meer dan een heel
klein deel van wat mensen kunnen kennen, dat weer een stuk minder is dan er feitelijik kenbaar zou zijn als mensen intelligenter zouden zijn. (Dit is ook nog steeds zo.)

In April 1978 kocht en las ik Foundations, van Frank Ramsey, en was er onmiddellijk van overtuigd dat hij en Bertrand Russell de grootste filosofen van de 20ste eeuw zijn, en ben dat nog steeds. Ook schat ik mij op mijn 27ste als volgt in: ik ben in staat tot het doen van zeer fundamentele dingen, maar dit zal voor maar heel weinigen van belang zijn. Ik denk dat dit een terechte instelling was.

Hier zijn de filosofen (overwegend) die ik op mijn 27ste voor belangrijk hield, en die ik nog steeds voor belangrijk houd: Zappa, Russell, Ramsey, Peirce, James, Whitehead, Goodman, Mumford, Thoreau, Proudhon, Strawinsky, Satie, Agee, Lichtenberg, Nietzsche, Hume, Huxley, Kesey, Heller, Ionescu, Whitman, Aristotle, Orwell, Buddha, Chuang Tzu, Mill, Mills, Keynes, Ockham, Locke, Goethe, Multatuli, Bjorneboe, Montaigne, Voltaire. In feite zijn daar tot en met 1983 de volgenden bijgekomen: Henry Miller, William Hazlitt, Mario Bunge, Arthur Schopenhauer, Richard Feynman en Raymond Smullyan - en sindsdien vrijwel niemand.

Hier is een ander inzicht uit April 1978:
Het ontbreekt de grote meerderheid van de mensen aan intellectuele vermogens - en wie het hier niet mee eens is, als de meerderheid van de Nederlanders, is dat precies omdat hij of zij te dom is de intellectuele verschillen die tussen hem of haarzelf en de kleine minderheid van werkelijk intelligente mensen bestaan te zien en te begrijpen. 't Is niet anders.

Tenslotte kap ik begin Juni definitief met Anky (het was al niet veel sinds Februari) en twee dagen later met Agnethe, dat overigens een fout van me was.
Agnethe en ik zijn elkaar wel blijven zien tot de late tachtiger jaren, maar het is nooit meer een relatie geworden. (Of dat mogelijk was weet ik niet, maar het was een fout van me in 1978 te kappen.)

2. De eerste 28 jaar van mijn leven

Wie tot hier gelezen heeft zal waarschijnlijk de volgende twee oordelen over de eerste 28 jaar van mijn leven onderschrijven:
  • ik had behoorlijk wat tegenslagen (Boogaardt, Oornick, Bolten) moeten overwinnen om - uiteindelijk - filosofie te kunnen studeren, maar uiteindelijk had ik alle papieren, en begon ik in 1977 (drie maanden) aan de studie filosofie, waarin ik het ver had kunnen brengen als ik niet ziek was geworden;
  • de eerste 28 jaar van mijn leven waren, afgezien van de tegenslagen, overwegend gelukkig, mede vanwege mijn ouders, die me overwegend vrij lieten, en vanwege mijn zeer goede verstand.
De volgende 12 jaar van mijn leven zullen hiermee in tegenspraak zijn, maar die liggen vooral aan mijn ziekte, mijn marxistische achtergrond, en mijn weigeringen te liegen en te bedriegen.
---------------------------------------------

       home - index - summaries - mail