X
 

     Nederlog        


  27 juni 2008

                                                                 

Over een zeker soort genie

 

 


 
       Henry Fielding: 1707-1754
"Fielding believed that the hypocrite has one big advantage over the honest man: the honest man  assumed everybody else to be honest; the hypocrite assumed the reverse (..)" (*)

Het gaat nog steeds tamelijk beroerd, vanwege ME en vanwaar enige dagen geen Nederlog, maar nu weer iets beter, zoals u ziet.

Ik kan weinig anders dan ziek, uitgeput, beroerd en met pijn op de bedbank liggen (uiteraard zonder enige hulp, zonder wasmachine, en zonder bed, en met minder dan 10 euro per dag om van te eten, leven, kleden, boeken en computers kopen etc., maar omdat dit in Amsterdam vanzelf spreekt zet ik het maar tussen haakjes), en af en toe wat proberen te lezen als ik daarvoor niet ook te beroerd ben. (Dank je wel, Job! Dank je wel, Nora!)

Gelukkig heb ik een voor mij bijzonder geschikt boek gekozen om me mee te trachten te vermaken, en wel "The history of Tom Jones" a.k.a. "Tom Jones" door Henry Fielding: Een schat van een boek door zeer bijzonder mens. (**)

Ik zei "een voor mij bijzonder geschikt boek", want ik kan mij voorstellen dat Fielding niet voor iedereen geschikt is, terwijl het boek ook uit 1749 dateert, en in de uitgave die ik heb 911 paginaas dik is.

Het is hier niet de plaats en het moment om Fielding te introduceren, of "Tom Jones" te proberen te omschrijven of uit te leggen - nou ja: het is historie, komedie, gelijkenis, satire, vertelling, preek, moraalleer, farce, filosofie, diepgelaagd ironisch, zeer goed geplot, en nog zo wat - en ik wilde alleen een deel van Book IX, Chapter I Of those who lawfully may, and those who may not write such Histories as this citeren, in de volgorde waarin het staat, maar met enige weglatingen.

Maar eerst nog dit, als verhelderingetjes.

Ik zei al dat de volledige titel "The history of Tom Jones" is, en met "historians" bedoelt Fielding in feite, ook in het citaat dat onder volgt: zij die de menselijke natuur bestudeerd hebben en daarvan verhalen, hetzij als geschiedschrijvers, hetzij als schrijvers van fictie of van toneel, die  immers ook van geschiedenissen plegen te verhalen.

Het citaat dat volgt, onderbroken door wat commentaren van mij, gaat in de eerste plaats over dergelijke schrijvers, maar kan ook wijder gevat worden.

En om u te waarschuwen, en eventueel tijd te besparen: Fielding gebruikte de eerste hoofdstukken van zijn (zogeheten, achttien) boeken van "Tom Jones" om zijn eigen bedoelingen te verduidelijken, wat geďrriteerde liefhebbers van het verhaal bij gelegenheid deed uitroepen dat verkortingen van, of films naar, het boek "Fielding minus the waffle" waren - zodat het zou kunnen zijn dat wat volgt voor sommigen wellicht mag gelden als "the waffle" zonder de ware Fielding-voor-het-gewone-volk.

Terzake: Hier is het dan - zoals ik zei, in volgorde, met weglatingen, en alles geciteerd uit de tweede helft van het eerste hoofdstuk van boek IX. (**)

Fielding formuleert zijn doel zo:

To prevent therefore for the future, such intemperate abuses of leisure, or letters, and of the liberty of the press, especially as the world seems at present to be more than usually threatened with them, I shall venture to mention some qualifications, every one of which are in a pretty high degree necessary to this order of historians.

We hebben het dus over de - vrijwel - noodzakelijke vereisten om een behoorlijk schrijver - geschiedsschrijver, boekenschrijver, toneelschrijver - te kunnen (!) zijn.

The first is genius, without a rich vein of which no study, says Horace, can avail us. By genius I would understand that power, or rather those powers of the mind, which are capable of penetrating into all things within our reach and knowledge, and of distinguishing their essential differences. These are no other than invention and judgment; and they are both called by the collective name of genius; as they are of those gifts of nature which we bring with us into the world.

Hetgeen dus aangeboren is, gelijk de naam etymologisch ook aangeeft, al is het gebruik wat men maakt van de gaven die men als geboorterecht meekreeg dat niet.

Ter verduidelijking van de termen:

(..) by invention is really meant no more (and so the word signifies) than discovery, or finding out; or to explain it at large, a quick and sagacious penetration into the essence of all the objects of our contemplation.

Wie hier tegen zou willen werpen "dat er geen essenties zijn" - of iets in die richting - denkt niet mee. Begrijp het als: adequate beschrijving, onderkenning, herkenning, begrip van om het even wat, dat hier vooral - invention - begrepen wordt in de zin van: middels de creatieve fantasie.

Vervolgens:

This, I think, can rarely exist without the concomitancy of judgment; for how we can said to have discovered the true essence of two things without discerning their differences, seems to me hard to conceive; now this last is the undisputed province of judgment, and yet some few men of wit have agreed with all the dull fellows in the world, in representing these two to have been seldom or never the property of one and the same person.

Een creatieve fantasie zonder oordeelsvermogen draaft door en draait dol, en overigens is het bovenstaande een goed voorbeeld van Fielding's gelaagde ironie, en heeft hij gelijk: grote verbeeldingskracht en groot oordeelsvermogen gaan zelden samen, in één persoon, helaas.

Hijzelf vervolgt zijn opsomming van noodzakelijke eigenschappen van goede schrijvers, van geschiedenissen en dergelijke:

But tho' they should be so, they are not sufficient for our purpose without a good share of learning; for which I could again cite the authority of Horace, and of many others, if any was necessary to prove that tools are of no service to a workman, when they are not sharpened by art, or when he wants rules to direct him in his work, or hath no matter to work upon.

De moderne lezer weet natuurlijk dat dit niet meer zo is in moderne Nederlandse scholen, waarin degenen die "no matter to work upon" bezitten hoog betaald worden on de jonge pupil aan het 'leren leren' te zetten, bij gebrek aan eigen "rules to direct him in his work", en ook aan eigen sjoege.

Fielding - hij leefde láng geleden, en maar kort in Nederland - meende geheel anders dan ongeleerde moderne PvdA-staatssecretaresses:

All these are supplied by learning: for nature can only furnish us with capacity, or as I have chosen to illustrate it, with the tools of our profession; learning must fit them for use, must direct them in it; and lastly, must contribute, part at least, of the materials. A competent knowledge of history and of belles lettres, is here absolutely necessary.

Kent u iemand in de Nederlandse regering, of het Nederlands parlement met een "competent knowledge of history and of belles lettres", lezer? (Ik niet, en ik bedoel dit geheel niet cynisch, doch als begin van een uitleg van het parlementair ondersteund regeringsbeleid inzake het onderwijs van de laatste dertig jaar, in Neerland.)

Maar Fielding is nog niet klaar met het omschrijven van het zeker soort genie dat nodig is voor het schrijven van werkelijk goede en eerlijke geschiedenissen van de menselijke natuur - en met "conversation" bedoelde hij zowel conversatie als omgang:

Again, there is another art of knowledge beyond the power of learning to bestow, and this is to be had by conversation. So necesary is this to the understanding of the characters of men, whose lives have been entirely consumed in colleges and among books: for however exquisitely human nature may have been described by writers, the true practical system can only be learnt in the world. Indeed the like happens in every other kind of knowledge.

Hier moet ik weer toevoegen dat dit láng geleden geschreven is, en dat de modale moderne Nederlandse parlementariërs het totaal van hun mensen- en overige kennis plegen op te doen door als gesjeesde student de duvelstoejager en zeer gewillige uitvoerder - voorlieger, propagandaschrijver, schild, bewaker, getrouwe - van een parlementariër te worden, vooraleer ze zelf op parlementaire kieslijsten belanden, als bekwame en bewezen bedriegers.

Er zijn dus uitzonderingen, en ook is Neerland Engeland niet. Fielding legt uit waarom een dergelijke "conversation" nodig is, althans voor wie geen parlementariër, bestuurder of loyale ambtenaar wil worden - dat trouwens zelden schrijvers en geheel nooit behoorlijke schrijvers zijn, inderdaad:

Now this conversation in our historian must be universal, that is, with all ranks and degrees of men; for the knowledge of what is called high-life, will not instruct him in low, nor e converso, will his being acquainted with the inferior part of mankind, teach him the manners of the superior.

Waar is dit dan goed voor, vraagt u wellicht? Wel, het ging immers om de noodzakelijke eigenschappen van werkelijke goede schrijvers, van goede geschiedenissen en zo meer:

Besides, to say the truth, the manners of our historian will be improved by both these conversations: for in the one he will easily find examples of plainness, honesty, and sincerity; in the other of refinement, elegance, and a liberality of spirit: which last quality I myself have scarce ever seen in men of low birth and education.

Ik sprak reeds van Fielding's ironie, en wellicht moet ik hier het laatste gedeeltelijk vertalen:

Gemeenlijk, hoe hoger men stijgt hoe valser men is.

(Behalve in Neerland, lezer, waar de hypocrisie immers zó verfijnd is dat geen goed vaderlander weet wat dat is, en alle politici dagelijks hun waarachtige authenticiteit voor cameraas mogen bewijzen, voor het gewone volk.)

U dacht nu wellicht - aftellend op uw vingers: genie; creatieve verbeelding; oordeelsvermogen; kennis, in het bijzonder van goede literatuur en geschiedenis; uitgebreide en gevarieerde levenservaring - dat we er moeten zijn, waar het de eigenschappen noodzakelijk voor het kunnen (!) zijn van een groot schrijver, althans van geschiedenisjes en dergelijke, maar nee:

Nor will all the qualities I have hitherto given my historian avail him, unless he have what is generally meant by a good heart, and be capable of feeling. The author who will make me weep, says Horace, must first weep himself. In reality, no man can paint a distress well, which he doth not feel while he is painting it (..)

Ik kan het laatste - "no man can paint a distress well, which he doth not feel while he is painting it" - met zéér veel gevoel nazeggen, maar omdat ik immers in Nederland leef en schrijf, en nog niet dood ben, wil vrijwel geen Nederlander mij horen, om van begrijpen niet te spreken, zodat ("tout comprendre" en zo verder) Wij Trotse Neerlanders aan billijken nooit toekomen - immers: "uw tááálgebruik, muhneer, is ...." (ambtelijk gezicht, toon én boventonen, in enthousiaste doorvoelde imitatie van dat van een Papoea die een dood rottend varken ziet - dat exact hetzelfde is, naar ik u wel kan verklappen, als dat van prominente PvdA'ers die mij zien). (***)

Maar ja. Terug naar Fielding, zou ik willen zeggen, als het niet zo was dat we aan het eind van het hoofdstuk zijn:

I am convinced I never make my reader laugh heartily, but where I have laughed before him; unless it should happen at any time, that instead of laughing with me, he should be inclined to laugh at me. Perhaps this may have been the case in some passages in this chapter, from which apprehension I will here put an end to it.

Zodat ik hetzelfde doe, lezer, na opgemerkt te hebben dat ik, met uitzondering van Multatuli - en zie bijvoorbeeld de geschiedenis van Woutertje Pieterse - van niemand weet in Nederland die zowel als Neerlands Schrijver geldt, als van wie naar waarheid gezegd kan worden dat hij (of zij) voldoet aan Fielding's criteria. (Fielding zelf, die niet in Neerland schoolging, behalve kort te Leyen, wat hčm niet geschaad schijnt te hebben, voldeed eminent.)

En dit beantwoordt ook, althans gedeeltelijk, een zekere vraag die ik eerder behandelde: Het raadsel van de Nederlandse literatuur.

P.S. U vindt Multatuli over een zeer verwant onderwerp in ideen 136 en 276. En u vindt mij over wat zoveel Nederschrijvers zo slecht en zoveel Nederlanders zo succesvol maakt hier. Leer dit van my.

(*) Hamilton Macallister: Fielding, Evans Brothers Ltd, 1967, quoted from page 90. Het portret van Fielding is trouwens van - zoals hij zelf schreef - "my friend mister Hogarth".

(**) Henry Fielding: The History of Tom Jones, Penguin English Library, ISBN 0 14 043.009 1, First published 1749, quoted from pages 437-9.

(***) Ook heet ik immers geen "Theo Maassen", "Hans Teeuwis", "Youp van 't Hek", "Freek de Jonge" etc. die mogen zeggen wat ze willen omdat iedereen weet dat zij het niet menen, en het alleen voor veel geld doen: Neerland is zo verfijnd in - autochtone - beschaving en eerlijkheid dat niemand iemand haat, iedereen voor iedereen respect heeft, en alleen beroepscabaretiers en voetbalfans mogen schelden of onwelgevallige waarheid spreken, omdat iedereen immers weet dat dit hun beroep of roeping is. Carričre en waarheidspreken zijn in Neerland alleen te combineren met cabaret of maatschappelijke zelfmoord.
 

Maarten Maartensz

        home - index - top - mail